Home Forums Linksom – Werk & Inkomen Plan van de Arbeid

Dit onderwerp bevat 1 reactie, heeft 2 stemmen, en is het laatst gewijzigd door  maurits groenenberg 3 jaren, 6 maanden geleden.

2 berichten aan het bekijken - 1 tot 2 (van in totaal 2)
  • Auteur
    Berichten
  • #1050

    admin
    Sleutelbeheerder

    Plan voor de Arbeid
    Versie 0.4
    Meer geld en alles uit de kast voor meer, beter en goed werk
    Een initiatief van de beweging Linksom! binnen de PvdA

    1. Inleiding

    Dit plan presenteert een alternatief voor het huidige kabinetsbeleid om meer werk, beter werk en goed werk te realiseren. Anders dan het kabinet doet, wordt met dit plan expliciet afstand genomen van het neoliberale beleid dat binnen Europa en in ons land dominant is. Het rapport ‘De Bakens Verzetten’ van de commissie Melkert stelde al: “Daarom luiden wij de alarmbel. In drie decennia waarin neoliberale economische recepten de dienst uitmaakten, groeiden de kiemen van de diepste naoorlogse crisis . Zeven jaren vol klassieke methoden van crisisbestrijding hebben niet de verhoopte ommekeer teweeg gebracht. Het is dan ook de hoogste tijd de bakens te verzetten. Linksom uit de crisis!” Ons manifest ´Met vertrouwen linksom!’ sloot daarbij aan, maar constateerde dat het zoals vaak in onze partij bij mooie woorden bleef en dat het kabinetsbeleid daar haaks op staat. En dat het de hoogste tijd is om met concrete, inhoudelijke alternatieven te komen. Daarin moet worden teruggekeerd naar een op onze sociaal-democratische waarden gebaseerde politiek, waarin zingeving door arbeid een belangrijk element is. Arbeid werd in het rapport Van Waarde naast als middel om bestaanszekerheid te bewerkstelligen ook als eigenstandige waarde opgevoerd. Maar het helpt ook enorm als middel voor de andere twee in Van Waarde genoemde waarden, verheffing en binding.

    Werkloosheid betekent voor miljoenen inwoners van ons land financiële zorgen, depressie en vernedering. Werk is niet een ongemak wat we moeten verduren om inkomsten te kunnen generen, opdat we voldoende kunnen consumeren. Werk vormt ons tot wie we zijn – als er geen werk meer is, dan raakt dat ons ‘zijn’. Dat besef je pas goed als je het niet meer hebt. Werkloosheid is geen economisch probleem: als een paar mensen genoeg produceren om een heel land welvarend te houden is er economisch niets aan de hand. Stijging van de arbeids-productiviteit (hetzelfde product maken met minder mensen) wordt over het algemeen juist beschouwd als economische kracht: het verbetert de concurrentiepositie van bedrijven. Economische groei is vaak het gevolg van innovatie, en innovatie leidt tot stijgende arbeidsproductiviteit en dus tot minder werkgelegenheid. Werkloosheid is geen economisch maar een sociaal probleem. Waar de econoom John Maynard Keynes werk nog beschouwde als een noodzakelijk kwaad (hoe minder tijd je nodig zou hebben voor werk, hoe beter, want hoe meer tijd er over zou blijven voor ontplooiing), is werk inmiddels hét middel tot erkenning, ontplooiing, sociale contacten en dagritme. Bovendien is werk nog altijd het belangrijkste instrument om het nationaal inkomen te verdelen. Werkloosheid is daarom behalve een sociaal probleem ook een ordeningsprobleem: hoe verdeel je de poet ‘eerlijk’ als in de toekomst werkelijk een klein aantal mensen het hele nationaal inkomen zou produceren.

    Ook wordt met ons plan teruggekeerd naar waar we campagne voor voerden in 2012. In de verkiezingscampagne van 2012 – voor de laatste verkiezingen die onze PvdA gewonnen heeft – had onze PvdA het nog over ‘De Rutte Recessie’. We vertelden dat ‘alle economen van de wereld’ waarschuwen tegen een nieuwe ‘orgie van bezuinigingen’ bovenop de € 19 miljard uit Rutte-I. Die leiden alleen maar tot tegenvallers die weer nopen tot nieuwe bezuinigingsrondes. ‘Exact de manier waarop Colijn ons in de jaren dertig in diepe armoede dompelde’. Onze PvdA pleitte daarom toen al voor maatregelen die de overheidsfinanciën structureel versterken door onder meer investeringen in innovatie te doen. Het Europese Groei- en Stabiliteitspact zou daartoe opgerekt moeten worden om geen Krimp- en Crisispact te worden. Daarvoor had onze PvdA al besloten tot het niet steunen van de Kunduz-coalitie die in april 2012 tekende voor € 11 miljard extra bezuinigingen en lastenverhogingen. Vervolgens werd in het verkiezingsprogramma gesteld: “Gaan we door met het eenzijdig hakken met de botte bijl, waardoor de werkloosheid nog verder de pan uit rijst? Of slaan we een nieuwe weg in, een weg van de financiën op orde brengen én werken aan groei en banen? (…) Het begrotingspact (…) richt zich te eenzijdig op begrotingstekorten en schulden. Er moet een nieuw Groeipact komen: een pact dat de motor is voor het scheppen van werkgelegenheid en hervormingen.” Onze PvdA voerde in 2012 campagne tegen het ‘rechts-rot-beleid’ van Rutte-I.

    Helaas werd met het regeerakkoord van Rutte-II door onze PvdA in een vloek en een zucht afscheid genomen van deze principiële stellingname. Begrotingsregel één uit dat akkoord luidde: we houden ons aan het begrotingsafspraken uit het Stabiliteits- en Groeipact. Een belofte die ruimschoots werd ingelost door vrijwel het hele Kunduz-akkoord alsnog te accorderen en dat bovendien aan te vullen met nog eens € 15 miljard aan bezuinigingen. En toen in 2013 de cijfers tegenvielen kwam daar nog eens € 4 miljard bovenop. In totaal bijna € 50 miljard aan bezuinigingen door Rutte-1 en -2, zo memoreerde VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra op 15 februari jl. in Buitenhof vol misplaatste trots. Onze PvdA heeft een financieel kader geaccepteerd waarbinnen ondanks een hoge werkloosheid en stagnerende koopkracht de lasten verder werden verhoogd en pijnlijke bezuinigingen werden doorgevoerd op onder meer de thuiszorg, ouderenzorg en sociale werkvoorziening. Maatregelen die juist de mensen treffen waarvoor onze PvdA zegt te willen staan: werknemers en mensen die afhankelijk zijn van zorg en sociale zekerheid. De bezuinigingen en lastenverhogingen zijn maar voor een zeer beperkt deel (zoals de verhoging van de pensioenleeftijd en de beperking van de hypotheekaftrek) ingevuld op een manier die de overheidsfinanciën en de economie structureel versterken. Voor een belangrijk deel waren het echter korte termijn bezuinigingen, die de economie juist schaden (denk aan de nullijn van ambtenaren en de verhoging van de BTW). Van de groei en banen waarover het PvdA-verkiezingsprogramma spraken is dan ook niets terecht gekomen. Wel kwam er de door onze PvdA eerder voorspelde verdieping van de recessie en stijging van de werkloosheid. Dat de bezuinigingen van dit kabinet al opgenomen waren in ons verkiezingsprogramma, zoals onze politiek leider op de laatste politieke ledenraad stelde, is dan ook niet waar. Het stond in een geheime bijlage, die niet aan het partijcongres is voorgelegd. Zo gaat dat dus binnen onze partij: links lullen en rechts poetsen!

    Het belangrijkste middel voor het kabinet om de werkloosheid te bestrijden is, aldus de laatste Troonrede, het ‘gezond maken’ van de overheidsfinanciën. Gezonde financiën zijn natuurlijk fijner dan zieke financiën, maar het is niet geloofwaardig dat de werkloosheid snel gaat dalen als een land dat al heel lang de hoogste beoordeling krijgt voor de soliditeit van de financiën daar nog net iets meer nadruk op legt. Het is sociaal wreed en politiek dom om werk te zien als een afgeleide van economische groei. Daarnaast is het politiek gezien ‘dom’ om als partij op het speelveld en de frames van rechtse en neoliberale partijen te opereren. Wij bieden met dit plan een alternatief, links recept. 

    2. Analyse

    Een falend Europees recept

    In Europees verband is gebleken dat het vasthouden aan korte termijn bezuinigingen niet helpt. Onder het motto ‘dat de afspraken moeten worden nagekomen’ werden landen gedwongen deze toch door te voeren. Vanaf dat moment (2009) zien we dat de economische ontwikkeling herhaaldelijk en aanzienlijk achterblijft bij de voorspellingen. De voorspelde positieve effecten doen zich niet voor. Consumenten en investeerders besteden weinig, en de economie kromp. Eind 2014 concludeerde het IMF dat bezuinigingen in tijden van recessie maar liefst drie maal zoveel schade berokkenen voor de economie dan in normale tijden. Voor iedere euro aan verbetering van de overheidsfinanciën wordt een krimp in de economie gesignaleerd van 2 euro. Ten opzichte van de economie gaat de staatsschuld daardoor juist omhoog. Het negatieve effect van bezuinigingen op werkgelegenheid is volgens deze studie zelfs zesmaal groter in tijden van recessie. Deze economische pijn kan langdurige effecten hebben doordat werklozen motivatie en vaardigheden verliezen. Jongeren maken een valse start op de arbeidsmarkt, ouderen haken af, en de algehele arbeidsproductiviteit blijft door het uitblijven van investeringen achter. Ook het effect op de vatbaarheid voor angst, xenofobie en populisme moet genoemd worden. Daarnaast wordt er door vele bedrijven en landen op diverse manieren misbruik gemaakt van de ontstane situatie. Bezuinigingen om eenzijdig begrotingsdoelen te bereiken schaden zo structureel de economie en de sociale cohesie. De negatieve gevolgen van de bezuinigingen worden nog eens versterkt doordat de EU-lidstaten elkaars voornaamste handelspartners zijn.

    In plaats van te doen wat in ons verkiezingsprogramma staat – investeren voor groei – werd een eenzijdig bezuinigingsbeleid gevoerd. De feiten zijn duidelijk – en pijnlijk! – over de resultaten van het verschil in aanpak tussen de VS en Europa. Tot 2011 gaan de Amerikaanse en de Europese economie gelijk op, daarna zwiept die van de VS omhoog en zakt die van de EU in. Een kloof die in elke volgende grafiek – of het nu om investeringen of om werkgelegenheid gaat – terugkeert. Alsof Europa getroffen is door een komeet en onder een vuil-grijze aswolk ligt. Die komeet, dat is dus de Europese bezuinigingspolitiek. Terwijl de Amerikanen als antwoord op de financiële crisis de portemonnee trokken en de weg omhoog hervonden, trok Europa juist de broekriem aan en koos daarmee impliciet voor stagnatie.

    In de Europese Unie werkt de toenemende ongelijkheid tussen lidstaten als een splijtzwam. Dat is niet het minst het gevolg van bewust beleid van Nederland en Duitsland om alle kaarten op hun export te zetten. Het spiegelbeeld van dat beleid is dat ze andere landen belemmeren in hun groei. Al decennia achtereen bevorderen Duitsland en Nederland hun uitvoer door de loonkosten laag te houden. Beide landen zetten met die lage-lonenpolitiek een rem op de eigen binnenlandse economie. De keerzijde van dat beleid is dat andere EU-landen relatief worden benadeeld, bij gebrek aan afzetmogelijkheden in Nederland en Duitsland. Noord-Europa is nu niet de trekker van de economie die het zou kunnen zijn. Juist om dat soort concurrentie ten koste van de ander te beteugelen hebben de landen in de eurozone afspraken gemaakt over een zeker evenwicht in hun handel. Lidstaten mogen geen hoger handelsoverschot hebben dan zes procent. Nederland en Duitsland zitten daar ver boven. Ze maken het daarmee landen waarmee het slecht gaat, zoals Griekenland, lastiger dan nodig is om te groeien. Nederland is zwaar in overtreding, met een overschot op de handelsbalans dat ongeveer het dubbele bedraagt van de limiet die de euro-landen hebben afgesproken. Het bizarre is dat wij nu al 32 procent van ons nationaal product in het buitenland verdienen en dat werkgevers¬organisaties desondanks campagne voeren om dat nóg verder op te voeren. Het is gewoon mercantilisme, alles gericht op de export en ieder land voor zich. David Ricardo en Adam Smith wezen er al vanaf 1750 op dat landen op deze wijze alleen maar rijker konden worden ten koste van andere. Zolang we niet naar de maan kunnen exporteren ontneem je andere landen mogelijkheden voor uitvoer als je handelsoverschot te groot is. Daarmee vergroot je de kans op protectionisme en handelsconflicten.

    In deze tijd lijdt de Europese samenwerking zwaar onder dit neo-mercantilisme, zegt ook econoom Robert Went van de WRR. Nederland en Duitsland maken het voor andere landen moeilijker om concurrerend te zijn en hun tekorten terug te dringen. ‘Dat is een bron van spanning, in een tijd waarin andere Europese landen zich al afvragen of het er in de Unie wel eerlijk aan toe gaat, of zij wellicht meer dan de machtige lidstaten opdraaien voor de kosten van de crisis.’ De conclusie moet zijn, zegt Went, dat Nederland en Duitsland met hun grote handels¬overschot Europa destabiliseren. Dat is economisch even onwenselijk als politiek riskant. In het ergste geval staat het eenwordingsproject dat Europa na de oorlog vrede en voorspoed bracht op het spel, meent Went. Tussen Noord- en Zuid-Europa ontstaan over en weer vijandbeelden. Noord-Europeanen krijgen het idee dat zij moeten bloeden voor de schulden van de zuidelijke lidstaten, Zuid-Europeanen hebben de neiging hun donkere toekomstperspectief toe te schrijven aan de saneringseisen van de noordelijke EU-leden. Vooral in Griekenland is de sociale ellende een bron van woede en frustratie. ‘Ik stap over het algemeen goedgemutst uit mijn bed’, zegt hij, ‘maar als ik ergens somber van word, dan is het van Europa. Ik heb de Europese integratie altijd verdedigd, met de nodige op- en aanmerkingen, maar ik begin steeds meer te twijfelen of het op deze manier nog wat gaat worden. De idee van Europese eenwording als waarborg van stabiele veiligheid en welvaart wordt bedreigd. Ik merk die stemming bij mensen om me heen op. Ik zie ook steeds meer artikelen en blogs met toenemende twijfel over de vraag of de euro en daarmee de Unie überhaupt nog op het rechte pad is te krijgen. De beeldvorming over landen is nu over en weer al zo beladen. Er is echt enorme schade aan de idee Europa aangericht.’ Hij is het eens met de economen Jaap van Duijn, oud-topman van vermogensbeheerder Robeco, en Johan Witteveen, voormalig IMF-voorzitter, die de klemmende afspraak dat het overheidstekort in de eurolanden de drie procent niet mag overschrijden ‘een geloofsartikel’ vinden. Dat percentage was niet meer dan de uitkomst van een politiek compromis tussen Frankrijk en Duitsland over de Duitse een¬wording, begin jaren negentig, maar heeft nu de werking van een dogma over wat economisch wijs is. In Europa heeft dat een polariserend effect. Het weerhoudt landen die economisch sterk genoeg zijn om de economie te stimuleren, zoals Duitsland en Nederland, van het doen van de noodzakelijke extra overheidsinvesteringen. Het dwingt de economisch zwakke landen tot bezuinigingen met ontwrichtende sociale gevolgen, zoals een exploderende werkloosheid.

    In een mooi gesprek met de Amerikaanse econoom Joseph Stiglitz bij de OESO herinnerde de Griekse minister van Financiën, Yanis Varoufakis, ons onlangs nog eens aan het politieke karakter van die afspraak. Hij legde ook de vinger bij een ander dogma, dat van de zogeheten structurele hervormingen die Griekenland door de eurogroep worden opgelegd. Die term, structurele hervormingen, ligt economen in de mond bestorven en ze denken ook dat zij dan wat zeggen. Dat is niet zo, het is een leeg begrip. Vaak bedoelen degenen die het in de mond nemen er hetzelfde mee, een flexibele arbeidsmarkt, een hogere pensioenleeftijd en ook nog iets met de woningmarkt. Maar adequate structurele hervormingen zijn uiteraard pas écht mogelijk na een concrete analyse van wat in een land het grootste obstakel voor groei is. Dan zal je op verschillende antwoorden uitkomen. ‘Het IMF en de EU vinden dat wij de arbeidsmarkt in Griekenland moeten dereguleren’, zei Varoufakis. ‘Maar helpt deregulering op een arbeidsmarkt waar dertig procent van de economie zwart is, waar werkgevers migranten op schandalige manier uitbuiten, waar de overheid moeite heeft om belasting bij bedrijven te heffen?’ Nee, zegt Varoufakis, in zulke omstandigheden is het nodig de arbeidsmarkt meer te reguleren. Dat zou in Griekenland nu écht een structurele hervorming zijn. En hij heeft gelijk.

    EU-lidstaten voeren echter sinds het begin van de eurocrisis een gesprek tussen doven. Frankrijk en Italië pleiten voor meer financiële flexibiliteit. Duitsland, Nederland, Finland zijn daar huiverig voor. Landen met afgeknepen begrotingen vinden dat landen die er beter voor staan, Duitsland en Nederland voorop, meer moeten investeren om de economie een zwieper te geven. Op de pijnlijke bezuinigingen in het zuiden volgt tot op heden slechts een beperkte stimulering uit o.a. de noordelijke landen. De eurozone is dan ook nog niet uit de gevarenzone. De hoge schuldenlast en de te strakke terugbetalingsregels staan een economisch herstel in de weg. Junckers manoeuvres zijn pogingen om de impasse te doorbreken, om Europa alsnog in beweging te krijgen en die gapende kloof met de VS te dichten. ‘Het is verkeerd om te denken dat begrotingsdiscipline en structurele hervormingen genoeg zijn om de economie weer op gang te krijgen’, zei de Europese Commissievoorzitter begin februari 2015 in het Europees Parlement.
    Het heeft de financiële gemoederen de afgelopen tijd flink bezig¬gehouden: quantitative easing, in de volksmond ‘geldverruiming’. De ECB koopt de komende anderhalf jaar zo’n 1100 miljard euro aan schuldpapieren op van overheden, banken en beleggers. Jarenlang werd er over een vorm van geldverruiming gesteggeld. De ontknoping is een typisch geval van ‘als twee honden vechten om een been’, waarbij banken en beleggers ermee heen gingen. Een deel van de eurozone wilde überhaupt geen ‘geldverruiming’, want dan zouden de Grieken het nooit leren en geldverruiming kon tot grote inflatie leiden. Een ander deel wilde wel geldverruiming maar dan op een manier die rechtstreeks ten goede zou komen aan mensen en werkgelegenheid. De eurogroep kwam er niet uit en liet het aan de ECB over. Het werd daardoor de slechtst denkbare optie, geldverruiming voor banken en beleggers. De kans is groot dat deze vorm van QE een volgende ‘bubbel’ aanwakkert: nog meer speculatie en opdrijving van aandelenwaardes.
    Onder degenen die graag een andere vorm van QE hadden gewild zijn er twee stromingen: mensen die pleitten voor ‘helikoptergeld’ (de Groningse hoogleraar Flip de Kam en ¬Willem Buiter, baas van de Citigroup bijvoorbeeld), waarbij iedere inwoner van de eurozone een paar duizend euro krijgt, en anderen die de 1100 miljard liever in Europese investeringen hadden gestopt (topman Boonstra van Rabo, de hoog¬leraren Klamer, Brakman en Benink).
    Wat bedoelen we met ‘de economie’?
    In zijn boek Niet alles is te koop wijst de politiek-filosoof Michael J. Sandel op het onderscheid tussen een markteconomie en een marktsamenleving. Een markteconomie staat ten dienste van de mens, in een marktsamenleving staat de samenleving ten dienste van de economie. Zegt u het maar, aldus Sandel. Toch komt dat debat maar moeizaam op gang, te vaak blijft het bij gemeenplaatsen over wat goed is voor de economie. Waarbij niet nader wordt gespecificeerd waar we het met ‘de economie’ dan eigenlijk over hebben: over banen, over het welvaren van grote bedrijven, over het welbevinden van mensen, over meer gelijkheid, meer ongelijkheid?
    Economie gaat over ‘het optimaal voorzien in de behoeften van mensen die nu leven en straks leven, hier en elders’, vat econoom Arnold Heertje zijn vakgebied samen. En dat gaat dus niet alleen over behoeften die in geld uitgedrukt kunnen worden, wil hij maar zeggen. Hij hecht sterk aan het ‘brede welvaartsbegrip’ dat hij ooit in de jaren vijftig van zijn leermeester Pieter Hennipman meekreeg.
    Helaas is anno 2015 een economische beschouwing synoniem aan een financiële beschouwing. Vanuit het brede welvaartsbegrip is niet alleen van belang wat er ‘onder de streep overblijft’, wat boven de streep gebeurt is zeker zo relevant: de aard van werk, de invloed die productie heeft op de leefomgeving. Heertje verbaast zich over beweringen als ‘ja, maar het is goed voor de economie’ als manier om voorstellen te verdedigen die op veel weerstand stuiten. ‘Vanuit het brede welvaartsbegrip kan dat eenvoudig niet: als economie gaat over de behoeftebevrediging en er is breed verzet tegen een voorstel kan het voorstel onmogelijk “goed voor de economie” zijn – die economie was immers bedoeld voor de behoeften van diezelfde mensen.’
    Economie is een normatieve kracht geworden in plaats van een faciliterende, zegt de Tsjechische econoom Tomas Sedlacek, auteur van De economie van goed en kwaad. ‘De economie vertelt ons wat we moeten doen, in plaats van te helpen bij het bevredigen van onze behoeften.’ Waar economie vroeger een geesteswetenschap was, die hielp nadenken over vraagstukken zonder de waarheid in pacht te hebben, is het nu ‘veredelde wiskunde’, stelt hij, ‘en met betwistbare formules’.
    Over de ratio van de bezuinigingspolitiek
    Zo staat het letterlijk op de site van de rijksoverheid, onder het kopje ‘maatregelen om de economie te versterken’: ‘Nederland geeft meer uit dan er binnenkomt. Daarom neemt Nederland maatregelen om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen. Want een kloppend huishoudboekje is belangrijk voor een sterke economie.’ Economisch beleid wordt daarmee gereduceerd tot gezonde overheidsfinanciën, die vervolgens teruggebracht worden tot de metafoor van het huishoudboekje.

    Maar de vraag is waarom staatsschuld eigenlijk erg is. Tegenover de staatsschuld van 460 miljard euro staat een enorme hoeveelheid bezittingen. Een in Nederland geboren baby komt niet alleen ter wereld met een schuld van 28.000 euro, zoals op dezelfde site vermeld staat, maar ook in een land vol scholen, wegen, ziekenhuizen en straat¬lantaarns, oftewel een collectief bezit van jewelste. En anders dan andere Europese landen heeft Nederland een pensioenspaarpot van 1200 miljard euro. Nederland heeft nu al gespaard voor de ouderen van de toekomst en dat hebben andere landen niet. Hoogleraar Flip de Kam: ‘De pensioenverplichting zou in andere landen als een min-post op de overheidsbalans moeten staan, maar dat is niet het geval.’ En voor de verhoudingen: de hypotheekrenteaftrek kost de overheid meer geld dan de rentelasten van de staatsschuld (die voor 2015 geschat wordt op 8,4 miljard).

    Schulden maken om er later meer voor terug te krijgen is zowel voor individuen (studieschuld) als bedrijven (investeren) de normaalste zaak van de wereld. Juist een overheid kan bij uitstek investeren, en daarbij anticiperen op toekomstige stijging van de belastinginkomsten. De sterke toename van de staatsschuld (van 45,3 procent van het bbp in 2007 naar 73,5 procent in 2013) heeft overigens voor een groot deel te maken met de steun aan de banken. Daling van de staatsschuld gebeurde tot nu toe vrijwel altijd door inflatie en economische groei (door het eerste wordt de schuld minder waard, door het tweede neemt het percentage ten opzichte van het bbp af). Daling door bezuinigingen, zeker in een tijd van nul inflatie en lage economische groei, is vrijwel onmogelijk.
    Volgens hoogleraar economie Harrie Verbon dient de mythe van de staatsschuld vooral een ideologisch doel: ‘Verlaging van de staatsschuld betekent een kleinere overheid, en daar gaat het de voorstanders om.’

    De zorguitgaven stijgen op het moment met zo’n vier procent per jaar, doordat mensen ouder worden, er medisch meer kan, we hogere eisen stellen aan de verzorging, door prijsstijgingen en noem het ‘aanbodsturing’. Dat is meer dan de economische groei en dus zijn we een steeds groter deel van het nationaal inkomen aan zorg kwijt. In het publieke debat wordt regelmatig de indruk gewekt dat de stijgende zorgkosten ten koste gaan van andere publieke voorzieningen, zoals het onderwijs. Maar dat geldt alleen als de totale kosten van de publieke voorzieningen als geheel niet mogen stijgen. En dat is, zoals eerder betoogd, een keuze: een grote collectieve sector is economisch gezien geen probleem. Hoeveel we aan zorg willen besteden is, binnen redelijke grenzen, eveneens een keuze.
    De Nederlandse zorgkosten houden, als het om de zogeheten cure gaat, gelijke tred met de omringende landen, maar de kosten voor de langdurige zorg zijn in Nederland relatief hoog en nemen ook sneller toe dan elders. Naar verhouding is er in Nederland veel betaalde langdurige zorg, terwijl in omringende landen mensen vaker onbetaald voor ouderen, geestelijk zieken en gehandicapten zorgen. Ook dat is een keuze.
    Puur demografisch is er wel wat aan de hand: waren er in 2012 op iedere AOW’er 3,7 mensen tussen de twintig en de AOW-gerechtigde leeftijd, in 2040 zijn er op iedere AOW’er 2,6 mensen tussen de twintig en de 67. In de komende 25 jaar zullen het bbp en de arbeidsproductiviteit naar verwachting ook toenemen, waardoor de kosten van meer ‘afhankelijken’ (zoals de 67-plussers in CPB-termen heten) ook makkelijker te dragen zijn. Bovendien telt het CPB alleen ouderen mee als afhankelijken, en kinderen niet.
    Ook kinderen kosten echter geld en verdienen nog niks. Tel je kinderen en ouderen bij elkaar op, dan is het aantal afhankelijken ten opzichte van de potentiële beroepsbevolking (gedefinieerd als iedereen van 20 tot 65 jaar oud, in de toekomst 67 jaar) in 2040 even hoog als nu. Waar we nu meer voor nog niet werkende kinderen betalen, doen we dat in de toekomst vaker voor niet meer werkende ouderen.
    Bovendien, en dat zou je bijna vergeten door alle discussies over de ‘onhoudbaarheid’ van het Nederlandse pensioenstelsel, sparen ouderen zelf voor een groot deel van hun kosten. De pensioenen in Nederland zijn opgezet als spaarpot voor later: de werkenden van nu dragen premie af voor als ze zelf gepensioneerd zijn. In andere landen betalen de werkenden het pensioen van de mensen die op dat moment met pensioen zijn, en zal in de toekomst dus een krimpend aantal werkenden het pensioen van een toenemend aantal ouderen moeten betalen.
    De AOW is wel gefinancierd zoals elders de pensioenen: de huidige belastingbetalers bekostigen de AOW van de huidige gepensioneerden, en de toekomstige werkers dus de AOW van de dan gepensioneerden. Doordat de AOW echter slechts meestijgt met het minimumloon en niet met de gemiddelde lonen is de kosten¬stijging beperkt. De kosten van de AOW zijn op dit moment zo’n vijf procent van het bbp.
    Een paar jaar geleden waren de politiek en beleidsmakend Nederland in de ban van het ‘houdbaarheidstekort’, een nieuwe term die betekende dat Nederland, bij gelijkblijvende voorzieningen en gelijkblijvende belastingen en premies, in 2040 een tekort zou hebben van 29 miljard per jaar. Achteraf is het een wat wonderlijke redenering: alles blijft gelijk, er verandert 25 jaar lang niets, behalve dat er meer ouderen komen. Inmiddels is het houdbaarheidstekort omgeslagen in een ‘houdbaarheidsoverschot’ en sindsdien hoor je niemand er meer over.
    Veel pensioenfondsen indexeren de pensioenen niet meer omdat aanpassing aan de inflatie te duur zou zijn. In die discussie is het goed te bedenken dat indexering in tijden van gemiddelde inflatie jaarlijks een half miljard euro kost (op een totale jaarlijkse pensioenuitkering van dertig miljard), en de overheadkosten van de pensioenfondsen jaarlijks 5,7 miljard. Dat zijn de kosten voor vermogensbeheer en ‘transactiekosten’. Het is misschien nuttiger om iets aan die kosten te doen.
    Wie het nieuws volgt krijgt de indruk dat de economische staat van landen valt af te meten aan drie percentages: de staatsschuld mag niet hoger zijn dan zestig procent van het bbp, een inflatie van twee procent is het gezondst, en het begrotingstekort mag niet hoger zijn dan drie procent. Het Europese ‘stabiliteitspact’ heeft dit percentage-denken een grote boost gegeven. Hoog¬leraar economie Steven Brakman uit Groningen: ‘Dat is misschien wel de grootste economische mythe van dit moment. Er is niemand die kan aangeven waarom die kengetallen zo belangrijk zijn voor de economie, laat staan waarom zestig, drie en twee de ware getallen zijn. Er zijn landen met zeer florerende economieën met heel andere percentages. En toch richten we alles in op die paar getallen.’
    De pagina ‘overheidsfinanciën 2015 in beeld’ op de site van de rijksoverheid vermeldt slechts het begrotingstekort, de rentelasten en de staatsschuld. Niks over de 260 miljard die de overheid jaarlijks besteedt of waaraan dit wordt besteed, daar kom je pas op bij veel doorklikken. Voor wie daar toch nieuwsgierig naar is: 105 miljard oftewel veertig procent gaat naar zorg en onderwijs, bijna 78 miljard naar sociale zekerheid en reïntegratie.
    De eerste jaren na 2007/2008 kregen de financiële instellingen nog de schuld van de crisis, soms gelardeerd met wat schimpen naar hebberige en onnozele consumenten, maar in 2010 sloeg de stemming om en sindsdien liggen de overheid en de publieke sector onder vuur. Het wordt vrijwel nooit letterlijk uitgesproken, maar de impliciete redenering is dat het niet zozeer om een financiële als wel om een economische crisis gaat, en dat het economisch slecht gaat doordat de overheid te groot is en te veel geld uitgeeft. Dat in vrijwel alle Europese landen de staatsschuld pas steeg na 2008 en vooral door de redding van de banken is al vergeten.
    In de bundel Progressive Politics after the Crash doet het Policy Network, sociaal-democratische denktank in Londen, een poging te ontleden waarom overheden en publieke sector de gebeten hond werden. De pijnlijke conclusie: de sociaal-democratische regeringen en partijen in Europa waren dusdanig medeverantwoordelijk voor de financiële deregulering die aan de crisis voorafging dat ze de financiële instellingen niet aan durfden te pakken. Bovendien waren ze oprecht in verwarring. Die verwarring duurde lang genoeg om anderen de kans te geven zich te hernemen en de crisis te reframen.
    Joris Luyendijk geeft in zijn boek Dit kan niet waar zijn treffende voorbeelden van hoezeer de sociaal-democraten zich verbonden hebben met de financiële sector. De Engelse Labour-¬premier Gordon Brown stelde in 2007 de City nog ten voorbeeld aan de rest van het land als een ‘uiterst getalenteerde en geavanceerde industrie met zeer hoge toegevoegde waarde’.
    Nederland voerde de eerste jaren na 2008 een min of meer keynesiaanse politiek: door de bestedingen en de economie op peil te houden en niet te bezuinigen op overheidsuitgaven. Dit pad werd vanaf 2010 verlaten: een nieuw kabinet, streng willen zijn tegen Griekenland (en dan kun je zelf niet achterblijven) en het frame ‘de overheid geeft te veel uit’ deden hun werk. Helaas heeft de PvdA dat heilloze pad nog steeds niet verlaten.
    Er zijn weinig begrippen die zoveel verschillende dingen kunnen betekenen en die zo weinig specifiek gebruikt worden als ‘hervorming’. Hervormen heeft een positieve connotatie, want wie is er tegen ‘veranderen om te verbeteren’? Wie tegen hervormen is, is conservatief, behoudend, ouderwets. In de newspeak van de jaren nul en tien is ‘hervormen’ echter de verzamelnaam geworden voor bezuinigen op publieke voorzieningen, flexibiliseren van de arbeidsmarkt, verhogen van de pensioen¬gerechtigde leeftijd en verminderen van de hypotheekrenteaftrek. Het grootste deel van dit cluster heeft met het bestrijden van de crisis geen relatie.
    Sterker nog, de meeste economen zijn het erover eens dat overheidsbezuinigingen de crisis juist verergeren: het is inmiddels een bestedingscrisis en als ook de overheid aan het bezuinigen slaat wordt er nog minder besteed. Begin jaren negentig zaten Zweden en Finland met een vergelijkbare financieel-economi¬sche crisis. Zij kozen er toen bewust voor om de staatsschuld juist nog wat op te laten lopen en door overheidsbestedingen de productie en afzet op peil te houden. Na een jaar of zes kon, onder meer doordat belastinginkomsten weer toenamen, de staatsschuld afnemen.
    Voor het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd is sociaal-cultureel best iets te zeggen (veel 65-jarigen willen en kunnen nog werken) en op papier verbetert het de pensioenkassen en de overheidsfinanciën (AOW later uitbetalen, te zijner tijd meer belastinginkomsten), maar voorlopig vermindert het de kans voor jongeren om aan het werk te komen.
    Van alle ‘hervormingen’ is er maar één die een duidelijke relatie heeft met de financiële crisis, en dat is de beperking van de hypotheekrenteaftrek. Die aftrek, waarbij het tot voor kort bovendien mogelijk was veel meer te lenen dan de kosten van het huis, stuwde de huizenprijzen op en zorgde ervoor dat de ‘huizenzeepbel’ in Nederland groter was dan elders. In het theater¬stuk Door de bank genomen laten George van Houts en collega’s schrijnend en hilarisch zien hoe mensen tot hoge schulden werden verleid. De maandlasten waren immers best te betalen en je zou het later dubbel en dwars terug¬verdienen.
    Over economische groei
    Dat wat je in je eigen leven hebt meegemaakt beschouw je al gauw als vanzelfsprekend. Dat is misschien de reden dat we een economische groei van drie procent normaal vinden, en een groei van bijvoorbeeld één procent als vreemd beschouwen. De aflopen pakweg driehonderd jaar lag de economische groei in Europa echter slechts dertig jaar rond de drie procent, laat Thomas Piketty zien in zijn veelbesproken boek Kapitaal in de 21ste eeuw. Piketty gaat daarbij uit van de groei per hoofd. De (dikke) drie procent gold alleen van 1950 tot 1980. Gedurende een groot deel van de afgelopen driehonderd jaar was er niet of nauwelijks sprake van groei, en gemiddeld lag de groei zowel in Europa als in de VS op ongeveer één procent.
    Het economenpanel van MeJudice peilde afgelopen september de verwachtingen van 64 economen over economische groei. Met de stelling ‘het groeiperspectief in de eurozone is de komende tien jaar maximaal één procent’ was slechts een derde het oneens, en als het louter over de groei in Nederland ging lag dat percentage nauwelijks hoger.
    Het Sustainable Finance Lab berekende dat de economische groei in Nederland tussen 1995 en 2008 gelijk stond aan het bedrag dat er aan extra hypotheken werd opgenomen op de ‘overwaarde’ van huizen. Het SFL stelt daarom dat de groei in die periode in feite gebaseerd was op lucht. Veel huizen staan inmiddels ‘onder water’, ze zijn niet méér maar minder waard dan de prijs waar ze voor gekocht zijn.
    De economische ontwikkeling is eigenlijk niet te voorspellen, en bovendien is het een illusie dat de overheid of de politiek daar veel invloed op heeft, zegt hoogleraar economie Harrie Verbon. ‘Groei is vooral een effect van grote innovaties. Die kun je stimuleren, maar er valt niet te voorspellen wanneer ze zich werkelijk voordoen.’ Een langdurig lage economische groei stelt de samenleving voor een uitdaging waar we nog geen ervaring mee hebben, stelt Verbon: ‘Tot nu toe was economische groei de manier om, zonder dat het anderen pijn doet, ervoor te zorgen dat de onderkant het ietsjes beter krijgt, dus hoe doe je dat zonder economische groei?’ Tomas Sedlacek stelt: ‘Als het pensioenstelsel, de zorg en het sociaal stelsel gebouwd zijn op groei is dat vragen om problemen. Een schip moet zowel tegen rukwinden als tegen windstilte kunnen.’
    Hoewel voor steeds meer mensen duidelijk is dat het bbp, het bruto binnenlands product, geen goede maat is om de welvaart van een land te meten, is er nog geen andere maat voor in de plaats gekomen. Het bbp is de optelsom van alles wat in een land geproduceerd wordt voor geld. Alles waar niet voor betaald wordt, telt niet mee. En anders dan bij bedrijven, waar ook de ‘voorraad’ van belang is, telt in het bbp alleen de productie zelve. Zo neemt het bbp toe als er na een ramp of oorlog veel huizen gebouwd worden, ook als vervolgens het aantal huizen even groot is als vóór de ramp of oorlog.
    Het bbp van een land wordt vaak niet gewogen naar het aantal inwoners. Zo zal China binnenkort de VS voorbij gaan in bbp, maar dat neemt niet weg dat een Amerikaan nog steeds ruim vijf keer zo rijk is als een Chinees (in koopkracht; gemeten in geld is een Amerikaan zelfs bijna acht keer zo rijk).
    De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) heeft een andere maat ontwikkeld voor welvaart van een land: de Better Life Index, waarin behalve het inkomen per hoofd ook de levensverwachting, het geweldsniveau, de scholingsgraad en de ongelijkheid meetellen. Deze factoren zijn voor het bevredigen van behoeften van mensen van groot belang – en dat was waar het ‘de economie’ ooit om begonnen was. De Utrechtse hoogleraar Jan Luiten van Zanten keek met deze index naar Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse landen en ontdekte dat het bbp en ‘Better Life’ vaak fors uit elkaar lopen. Hij wijst nog op een andere reden waarom het bbp geen goed economisch kompas is: economische groei is vaak zo ongelijk over de bevolking verdeeld dat het weinig zegt over de welvaart van het land als geheel.
    In het boek Economie: De gebruiksaanwijzing stelt Ha-Joon Chang voor de economische ontwikkeling van landen af te meten aan de toe- of afname van hun vermogen om te produceren. Dat vermogen tot productie zit onder meer in natuurlijke hulpbronnen, machines, innovatiekracht en mensen.
    We moeten onze groei vooral richten op meer kwaliteit van leven en meer duurzaamheid. ‘De Grenzen van de Groei’ van de Club van Rome bleken verder weg te liggen dan we in de jaren 1970 dachten, maar het wordt wel degelijk tijd om na te denken over nieuwe groei ambities, die gebaseerd zijn op een circulaire in plaats van een parasitaire economie, en die welzijn meer in balans brengt met welvaart.
    Meer onderwijs beter voor groei?
    De relatie tussen onderwijs en economische groei is op z’n minst een ingewikkelde. In 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme laat Chang zien dat er landen zijn met een uiterst laag percentage hoogopgeleiden die het economisch zeer goed doen (Zwitserland) en andersom: landen waar vrijwel iedereen hoogopgeleid is en waar het economisch toch slecht gaat (Griekenland, Argentinië). Onderwijs is voor mensen zeer verrijkend, maar haal er niet steeds het economische argument bij, stelt hij.
    De econome Alison Wolf toont in Does Education Matter? Myths about Education and Economic Growth aan dat investeringen in het basis- en voortgezet onderwijs echt van belang zijn, maar investeringen in het onderwijs dat daarna komt veel minder.
    Bij de discussies over de relatie tussen onderwijs en werkgelegenheid wreekt zich dat wat waar is voor individuen wordt geëxtrapoleerd naar de samenleving als geheel, zegt arbeidsmarkteconoom Paul de Beer: ‘Iemand die hoogopgeleid is heeft meer kans op een baan dan een laagopgeleide, maar minder laagopgeleiden leidt niet tot minder werkloosheid.’ Onderwijs is een positioneel goed geworden: wie er meer van heeft, onderscheidt zich van wie minder heeft. Het genoten onderwijs is daarmee vooral een sorteerinstrument voor werkgevers.
    Arnold Heertje pleit ervoor om ook bij onderwijs uit te gaan van het brede welvaartsbegrip: voorzien in de behoeften van mensen, in dit geval de leerlingen en studenten. ‘Wat willen zij leren, waar voelen zij zich rijker door. Dat is iets anders dan de behoeften van de geldeconomie.’
    Over hoe we er nu werkelijk voorstaan
    De huidige werkloosheid is onaanvaardbaar en onhoudbaar. Meer dan 630.000 personen zijn werkloos, 7% van onze totale bevolking en 14,1% van onze beroepsbevolking. Maar alles hangt af van de definitie van werkloosheid, en er zijn weinig definities die zo vaak veranderen als deze. Onlangs is de definitie weer aangepast. Sinds 1 januari tel je als werkloos als je nul uur werkt en tegelijkertijd werk zoekt. Dat is de internationale definitie, en dat maakt vergelijken makkelijker. Tot voor kort telde je ook als werkloos als je minder dan twaalf uur werkte, maar méér dan twaalf uur wilde werken. Omdat alle mensen met mini¬-banen, zelfs als ze maar een uur per week werken, nu meetellen als werkend in plaats van werkloos is het percentage werklozen plotseling fors gedaald. In aantallen mensen stijgt de werkloosheid echter nog steeds, ondanks de nieuwe definitie. Zzp’ers die nauwelijks werk hebben of mensen die het actief zoeken naar werk hebben opgegeven, worden niet meegerekend als werkloos. De werkelijke werkloosheid, in de zin van mensen die graag (meer) zouden willen werken, ligt dan ook veel hoger dan 630.000. Er hebben op dit moment 430.000 mensen een bijstandsuitkering, 431.000 mensen zitten in de WW, en 820.000 mensen hebben een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO/WIA/Wajong). De site werkloosheidsmeter.nl telt dan ook 1.161.542 werklozen, en die stijgt volgens deze site met 700 per dag. Zouden we dezelfde werkloosheidsdefinitie hanteren als in de jaren 1980, dan zijn er nu meer mensen werkloos dan tijdens de economische crisis van begin dat decennium (in absolute aantallen, niet als percentage van de bevolking).

    Er zijn hoge werkloosheidspieken bij jongeren onder de 25 jaar en bij ouderen boven de 45 jaar, als ook bij de allochtonen in alle leeftijdsgroepen. Van de hoog opgeleide allochtonen is nu zelfs 37% werkloos! Hier is duidelijk sprake van onmiskenbare discriminatie. Ook premier Rutte onderkende dit onlangs, maar verklaarde zich direct onmachtig. Maar hij had er wel over ‘nagedacht’ en uit dat denkwerk volgde een advies aan de Mohammeds van dit land: die moeten zich niet neerleggen bij de ‘belediging’ die discriminatie op de arbeidsmarkt is, maar gewoon ‘doorgaan’. Mohammed moet zich ‘invechten’. Klinkt nobel, zo’n appèl op de weerbaarheid van mensen, maar ook redelijk gratuit. Discriminatie van sollicitanten is in Nederland al jaren een hardnekkig fenomeen. Mohammed vertellen dat hij er maar mee moet leren leven is vooral een manier om bewust blind te blijven voor de griezelige kanten van de Nederlandse arbeidsmarkt.

    Vrijwel nergens in Europa is het zo droevig gesteld met de arbeidskansen van allochtonen als in Nederland. Iets meer dan de helft van de allochtone beroepsbevolking zit thuis. Discriminatie speelt hierbij een rol en in de afgelopen acht jaar is door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) die rol met toenemende precisie vastgesteld. Uit praktijktesten en steekproeven bleek dat allochtone jongeren met dezelfde kwalificaties en hetzelfde representatieve voorkomen minder snel aan de bak komen dan hun autochtone leeftijdgenoten. Discriminatie is de enig denkbare verklaring voor dit verschil. Gelukkig kent het kabinet in Lodewijk Asscher een bewindsman die niet met clichés over zelfredzaamheid strooit om zijn verantwoordelijkheid te ontlopen. ‘We zullen discriminatie nooit accepteren’, reageerde Asscher anders dan Rutte. Kabinet, werkgevers en werknemers moeten volgens hem dit probleem gezamenlijk aanpakken. Vorig jaar nam Asscher al het initiatief tot zo’n aanpak. Hij wilde inzetten op handhaving (bestraffen van discriminerende bedrijven), melding en registratie, kennis en bewustwording, diversiteitsbeleid, onderzoek. Discriminatie van sollicitanten is in Nederland al jaren een hardnekkig fenomeen. Wat van de inzet van Asscher in de praktijk is terechtgekomen is nog niet bekend, daarover wordt in de loop van 2015 in de Kamer gerapporteerd. In elk geval toont Asscher met dit plan alvast dat discriminatie niet alleen tot een probleem van de gediscrimineerde gemaakt moet worden. Hij onderkende ook veel beter dan Rutte de ondermijnende kracht van discriminatie, omdat die maakt dat ‘toekomstdromen eindigen in frustratie en dat talent wordt verspild’. Hardnekkige discriminatie heeft niet alleen gebroken dromen en verspilling van talent tot gevolg. Discriminatie belemmert ook de worteling van allochtonen in dit land. Integratie kan alleen gestimuleerd worden als discriminatie wordt bestreden en niet als een overkomelijke ‘belediging’ wordt afgedaan.
    Terwijl de gemiddelde levensduur sterk toeneemt en de pensioenleeftijd daarmee nu meestijgt, worden werknemers steeds jonger afgeschreven. De langdurige werkloosheid onder baanloze 45-plussers is fors toegenomen en deze trend neemt niet af, maar toe. Bijna twee op de drie werkloze 45-plussers hadden in 2014 een verwachte ‘baanvindduur’ van minimaal een jaar. Van de langdurige WW-ers is 80% een 45-plusser. De afgelopen jaren heeft het kabinet gepoogd met verschillende maatregelen, zoals speciale (her)scholingsprogramma’s, premiekortingen voor werkgevers en andere subsidieregelingen, de kans op een werkkring voor deze ouderen te verhogen. Ook hier hebben we te maken met discriminatie. Leeftijdsdiscriminatie is een probleem waar al decennia vooral over gepraat, onderzocht en gerapporteerd wordt, maar amper concreet wordt aangepakt. Het wordt dan ook de hoogste tijd te erkennen dat deze regelingen onvoldoende effectief zijn en dat het perspectief op een baan voor deze werkzoekenden eerder af- dan toeneemt, zoals Rick van der Ploeg en Willem Vermeend onlangs al betoogden.
    De Reagan/Thatcher revolutie heeft rond 1980 korte metten gemaakt met de volledige werkgelegenheid ambitie, in de waan dat markten met verve hun rol als banenschepper zouden vervullen. Markten maken weliswaar het meeste werk, maar geen volledige werkgelegenheid. Ze scheppen en vernietigen banen. Volledige werkgelegenheid moet nu ingevuld worden door het als basis te erkennen voor een hoog productieve economie en van een werkelijk inclusieve samenleving. Uitsluiting is economische verkwisting.

    En ondanks de ‘robotisering’ en de huidige werkloosheid gaat het werkgelegenheids¬beleid nog steeds uit van een dreigend tekort aan arbeidskrachten. In de modellen die het Centraal Planbureau (CPB) hanteert bestaat werkloosheid zelfs niet: als het planbureau uitrekent wat de effecten zijn van kabinetsmaatregelen gaan die modellen er vanuit dat er volledige werkgelegenheid is. Op grond van de CPB-modellen valt dan ook niets te zeggen over de effectiviteit van maatregelen in tijden van forse werkloosheid, zoals nu. Zo berekende het CPB onlangs dat de effectiefste werkgelegenheidsmaatregel het verlagen van de bijstand is: dat zou veertigduizend minder uitkeringsgerechtigden opleveren. De modellen gaan immers uit van genoeg banen, en in die situatie vinden veertigduizend bijstandsgerechtigden een baan als hun uitkering wordt verlaagd. Er wordt behalve met de crisis ook geen rekening gehouden met de toenemende arbeidsproductiviteit (robotisering), het afhaken van mensen en de internationale arbeids¬mobiliteit.

    Er is nu sprake van vooral ‘jobless recovery’. Al voor de crisis leverde de ‘boom ‘ minder fatsoenlijk werk op dan verwacht had mogen worden. Waarom kon de overheid wel de rol van ‘banker of last resort’ spelen, maar niet de rol van ‘employer of last resort’? De oorzaak is ideologisch, het neo-liberalistische geloof in vrije marktwerking en flexibele arbeidsmarkten. Dat is ook de makkelijkste weg: het vergt minder inspanning van de overheid dan aandacht voor fatsoenlijk werk. Ook het nationaal beleid moet eenzijdig gericht zijn op begrotingstekort, inflatie en schuld, maar ook op werk en lange termijn investeringen. Ook de Nederlandse Bank moet volledige werkgelegenheid/maximale arbeidsdeelname als doelstelling krijgen (zoals dat ook in de VS het geval is).

    De economische crisis is nog niet voorbij, niet echt. En dat is ook niet zo raar, aangezien er geen verandering is gekomen in de oorzaken van het zuinig-aan-doen. Groeivooruitzichten zijn duurzaam te laag. Deflatie dreigt. Werkloosheid is nog steeds enorm hoog, in de eurozone 12%. De vooruitzichten op middellange termijn zijn onverminderd slecht. Het BBP van de eurozone is 3% lager dan voor de crisis, en 13% onder de trend van voor de crisis. De binnenlandse vraag blijft achter, groei is vooral op export gerelateerd. De Europese economie hangt nog steeds aan het infuus van centrale banken.

    Het reëel beschikbaar inkomen van huishoudens daalde sinds 2007 met 5,2 procent, het aantal mensen dat leeft van een uitkering stijgt nog steeds, mensen moeten door overheidsbezuinigingen voorzieningen vaker zelf betalen en moeten en willen hun hypotheken aflossen. Economie is weliswaar voor een deel psychologie, maar de meeste oorzaken van de verminderde bestedingen zijn heel concreet en niet met peptalk en psychologie te verhelpen. Zelfs niet met Rutte’s oproep om ons ‘uit de crisis te consumeren’.
    Dat mensen minder te besteden hebben komt niet alleen door de crisis. De afgelopen vijftien jaar daalde het aandeel van het natio¬naal inkomen dat naar werkenden gaat en steeg het deel dat naar kapitaalbezitters gaat. Maar loonstijging lijkt in Nederland nog steeds taboe. Van Riel van de WRR is verbaasd dat er bij beleidsmakers en politiek weinig aandacht is voor maatregelen tegen de bestedingscrisis. ‘Europa is in feite veel neoklassieker, veel orthodoxer dan de VS. Alsof bestedingen er helemaal niet meer toe doen en bedrijven zonder klanten kunnen.’
    Dat de aandelenmarkten wel stijgen is precies het probleem. De beurs heeft bij sommige mensen nog het aureool van graadmeter van de economie maar is dat niet. Sterker nog, als aandelenwaardes stijgen op een manier die geen enkele relatie heeft met de economische waarde van het betreffende bedrijf is dat vooral een teken van een zeepbel. Daar waarschuwde zowel de Nederlandse als de Amerikaanse bank onlangs dan ook voor. De aandelenwaarde stijgt vooral doordat geld elders niet rendeert: de rente is ongekend laag, er wordt weinig geïnvesteerd, dus kopen kapitaalbezitters aandelen. Hopend dat anderen die aandelen weer kopen voordat de zeepbel knapt en de waarde dramatisch daalt.
    Het huidige prille, fragiele economische herstel is geen lovenswaardige prestatie maar eerder een brevet van onvermogen. De beslissing begin 2011 om de kosten van de bancaire crisis op burgers en MKB te verhalen heeft het economisch herstel met minstens 4 jaar vertraagd, met tienduizenden onnodige faillissementen en honderdduizenden onnodige werklozen tot gevolg. De beslissing van onze PvdA om dat in 2012 niet terug te draaien, maar om daar nog eens een schepje bovenop te doen, heeft dat alleen nog maar verergerd. Door het huishoudboekje van de staat te laten prevaleren boven dat van de kiezers is een basaal social contract verbroken (namelijk dat de staat er is voor de burgers, en niet andersom) en hebben wij het vertrouwen van onze kiezers verspeeld.

    Over de aard van onze huidige recessie

    Ed Groot en Henk Nijman hebben reeds betoogd dat het maken van schulden in Nederland fiscaal is gestimuleerd (hypotheekrenteaftrek, aftrek rente op vreemd vermogen), tegelijk met sparen, en dat vermogens in internationaal perspectief maar beperkt worden belast. Zo krijg je een grote financiële sector en een boom-bust economie: goed bij hoogconjunctuur, maar zeer nadelig in tijden van crisis. Nederland gaat gebukt onder zijn opgeblazen balansen: we hebben de grootste balans van Europa als percentage van het beschikbare inkomen door hoge hypotheken en hoge pensioenvoorzieningen. Keerzijde hiervan is dat hypotheekrenteaftrek en pensioenpremieaftrek de staat bijna € 25 miljard kosten (7% punten tarief inkomstenbelasting!). De huizenprijzen zijn sinds 2008 20% in waarde gedaald, één derde van alle hypotheken staan onder water – drie maal zoveel als in 2008. Door lage dekkingsgraden hebben pensioenfondsen hun uitkeringen verlaagd en hun premies verhoogd. Zo’n 90% van het pensioenvermogen wordt in het buitenland belegd, waardoor Nederlandse banken een tekort aan spaargelden hebben, waardoor vervolgens hypotheken en bedrijven kredieten duurder worden. Nederlandse banken zijn sterk afhankelijk van kapitaalmarktfinanciering doordat ze tegenover bijna € 1000 miljard (waarvan € 600 miljard hypotheken) aan uitstaande leningen in het binnenland slechts € 330 miljard aan deposito’s van huishoudens en € 170 miljard van bedrijven. Deze ‘funding gap’ is ook internationaal gezien zeer groot.

    De lasten zijn eenzijdig afgewenteld op mensen in loondienst, waardoor werknemers duurder zijn geworden terwijl hun koopkracht daalt. Tussen 1995 en 2006 is het aandeel van lasten op arbeid als percentage van de totale belastingen bijna 6% gestegen en inmiddels ligt dit daarmee ver boven het Europees gemiddelde, terwijl de lasten op kapitaal met 4% zijn gedaald. De sociale lasten voor werkgevers en werknemers zijn de laatste 10 jaar met 5% punt gestegen tot bij elkaar 50% van het brutoloon. Dat tast de koopkracht aan, maakt arbeid duur en drukt de werkgelegenheid.

    Nederland zit in een balansrecessie. Nederland wordt door het eenzijdige op tekortreductie gerichte beleid structureel armer omdat onnodig veel bedrijven over de kop gaan, werknemers permanent werkloos worden en nieuwe economische activiteit niet worden gefinancierd, terwijl de staatsschuld niet omlaag komt. Die uitstaande staatsschuld kan bijna geheel worden weggestreept tegen de belastingclaim op de toekomstige pensioenuitkeringen. De overheidsfinanciën zijn structureel houdbaar.

    Over productiviteit, lonen en werk
    Een overheid heeft eigenlijk maar twee manieren om de werkgelegenheid te stimuleren: bevorderen van een economische groei die hoger is dan de toename van de arbeidsproductiviteit en het stimuleren van arbeidsintensieve sectoren of een grotere publieke sector. Alle andere instrumenten gaan in feite over het verdelen van de bestaande werkgelegenheid.
    Vaak wordt er vanuit gegaan dat economische groei vanzelf leidt tot toename van de werk-gelegenheid. De afgelopen 45 jaar houden de economische groei en de stijging van de arbeidsproductiviteit elkaar echter in evenwicht, waardoor – gemeten per inwoner – de werkgelegenheid niet is toegenomen ondanks forse economische groei. Dat zou kunnen veranderen als je actief de arbeidsintensieve sectoren bevordert (waardoor je in feite de arbeidsproductiviteit vermindert), maar dat gebeurt vooralsnog niet. De werkgelegenheid wordt overigens wel over meer mensen verdeeld dan 45 jaar geleden: nu doen 4,3 op de tien inwoners betaald werk, in 1970 was dat 3,6 op de tien. Dat komt doordat vooral veel meer vrouwen zijn gaan werken.
    Dat economische groei niet vanzelf leidt tot meer werkgelegenheid is geen Nederlands fenomeen. Het Duitse bruto binnenlands product is nu vier keer zo hoog als in 1960, maar de hoeveelheid arbeid die daarvoor nodig is, is zelfs lager dan in 1960. (NB: dit wil natuurlijk niet zeggen dat het omgekeerde waar is, namelijk dat minder economische groei goed is tegen werkloosheid.)
    De arbeidsproductiviteit neemt al jaren toe zonder dat de lonen stijgen. En dan gaat er iets mis, want door die stijgende arbeidsproductiviteit wordt er wel méér gemaakt, maar als mensen geen geld hebben om meer te kopen, heb je er weinig aan. De Nederlandse economie is voor 70% procent afhankelijk van de binnenlandse vraag. Mensen hebben het achterblijven van de lonen een tijdje ‘goedgemaakt’ door flink te lenen, maar kunnen en durven dat inmiddels niet meer. Dat de lonen achterblijven bij de productiviteit blijkt ook uit het feit dat een toenemend deel van het nationaal inkomen naar de kapitaal¬verschaffers gaat (vermogen, aandelen, winsten) en steeds minder naar arbeid (lonen en beloningen van zzp’ers): in 1980 ging 68% van het nationaal inkomen naar arbeid, nu nog 60%.
    Een van de argumenten voor lage lonen is dat het goed is voor de export. Dat is echter alleen het geval als de lagere lonen worden doorberekend in de prijs van het product, en dat gebeurt vaak niet. Voor de concurrentiepositie zijn niet de loonkosten op zichzelf van belang, maar de totale productiekosten, en de hoge Nederlandse arbeidsproductiviteit houdt die productiekosten relatief laag. De Delftse economen Servaas Storm en Ro Naastepad laten zien dat in de jaren van loonmatiging het Nederlandse aandeel in de wereldexport juist daalde, terwijl het aandeel van landen waar géén loonmatiging was, juist steeg. Correlatie is nog geen causaliteit maar het geeft wel te denken. Een verklaring is dat bedrijven meer investeren in innovatie als de lonen hoog zijn en die innovatie zorgt voor een goede (export)concurrentiepositie. Onder andere econoom Lex Hoogduin, voormalig directielid van De Nederlandsche Bank, pleit juist voor forse loonsverhoging, ter hoogte van de productiviteitsstijging plus de gewenste inflatie, om hiermee de inflatie aan te wakkeren.
    Volgens Wolfgang Streeck, voormalig directeur van het Max Planck Instituut, is er iets fundamenteels aan de hand: het ont-democratiseren van het kapitalisme. Het pact dat kapitaal en arbeid sinds de Tweede Wereldoorlog hadden, voortkomend uit wederzijdse afhankelijkheid, is doorbroken. Kapitaal kan door deregulering zijn gang gaan en er valt met kapitaal meer geld te verdienen dan met arbeid. Door technologische ontwikkelingen zijn mensen minder nodig voor de productie en als er genoeg geëxporteerd kan worden zijn mensen ook minder nodig als consument. Weg pact, weg evenwicht.
    Tijdens de jaarlijkse toogdagen van bedrijfsleven en regeringen in Davos, afgelopen januari, hield premier Abe van Japan een opmerkelijk verhaal. ‘Wassenaar-in-reverse’, noemde hij het, naar het akkoord van Wassenaar uit 1982, toen polderend Nederland zich committeerde aan loonmatiging. Nu is het omgekeerde nodig om Japan uit de bestedingscrisis te trekken, weet Abe. Hij heeft in Japan bedrijven en vakbeweging bij elkaar gehaald voor een loonsverhogingsoffensief. Toyota, Hitachi en Panasonic hebben inmiddels aangekondigd hun lonen fors te gaan verhogen.
    Over minder regels en minder belastingen, het belang van het MKB, het overschatte belang van export, vrijhandel en van de financiële sector
    De redenering is vaak dat als bedrijven minder dwarsgezeten worden door regels en belastingen, en méér worden gefaciliteerd, de economie groeit en uiteindelijk iedereen erop vooruit gaat. Bedrijven betalen in Nederland op dit moment gemiddeld nog maar tien procent vennootschapsbelasting (netto, dus na aftrek van vrijstellingen), berekende Flip de Kam, hoogleraar economie van de publieke sector in Groningen. Dat is een halvering ten opzichte van vijftien jaar geleden, onder het motto dat ze met het uitgespaarde geld ruimte hebben om te investeren.
    Niets wijst er echter op dat dit gebeurt: de investeringen zijn ongekend laag en het geld wordt gebruikt voor winst- en dividenduitkeringen of om de eigen aandelen op te kopen. Ook in de Verenigde Staten heeft een forse verlaging van belastingen voor bedrijven niet geleid tot meer investeringen of meer economische groei, blijkt uit onderzoek van Bruce Bartlett, voormalig adviseur van nota bene de Republikeinse presidenten Reagan en Bush.
    Het is een diepgeworteld economisch geloof dat als bedrijven geld hebben ze dit gebruiken om te investeren, en dat als bedrijven niet investeren dit te wijten is aan geldgebrek. En dan ligt de oplossing voor de hand: lonen matigen, werk¬geverslasten verlichten, rente verlagen en krediet-regelingen creëren. Maar veel is anders in deze crisis: veel bedrijven zwemmen in het geld, maar investeren niet.
    Dat het MKB een minder sterke lobby heeft, blijkt uit het feit dat grote bedrijven veel minder belasting betalen dan kleine. Als gepleit wordt voor de belangen van ‘het bedrijfsleven’ gaat het meestal over de belangen van grote bedrijven. Voor zowel de economische groei van een land als voor werkgelegenheid is het midden- en kleinbedrijf echter belangrijker. De belangen van het MKB zijn deels tegengesteld aan die van grote bedrijven; het MKB heeft belang bij binnenlandse afzet, en dus bij behoorlijke lonen, terwijl grote bedrijven vaak mikken op export en loonmatiging. Alleen al daarom is het onverstandig om het over ‘de economie’ te hebben als een ondeelbare grootheid; de economie bestaat uit veel verschillende actoren met vaak heel verschillende belangen.
    Er zijn vier redenen waarom bedrijven zo weinig investeren: gebrek aan binnenlandse afzet, sparen voor overname van andere bedrijven, sturen op aandeelhouderswaarde, en onzekerheid. Bedrijven voelen dat er van alles verandert in de economie, in de manier waarop mensen werken, kopen, leven, maar ze weten nog niet welke kant het op gaat en durven nog geen investeringen te doen. Dat geldt ook voor het MKB. Het midden- en kleinbedrijf en de banken geven elkaar vaak de schuld van het gebrek aan investeringen. Volgens de banken komen MKB-bedrijven niet met goede voorstellen, en volgens het MKB vinden banken kleine bedrijven tijdrovend en financieel oninteressant. Het ministerie van EZ heeft de afgelopen jaren een kerstboom van kredietmogelijkheden opgetuigd om de MKB-investeringen te stimuleren, maar daar wordt nauwelijks gebruik van gemaakt. Opmerkelijk aan de regelingen: de overheid staat garant, zodat het de banken niks kost als het misgaat met de lening.
    Dat niet alleen belasting maar ook andere overheidsbemoeienis niet slecht is voor economische groei laat de econoom Ha-Joon Chang zien in zijn bestseller 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme. Overal in Europa vallen perioden van grote economische groei samen met veel overheidsinterventie. Terwijl de liberalisering en privatisering van de afgelopen decennia er juist toe leidden dat bedrijven en kapitaal zich gingen richten op kortetermijnwinsten, en dat is op termijn slecht voor de economie.
    ‘Nederland exportland’ is de gevleugelde uitdrukking, en tientallen keren per jaar trekken ministers, leden van het koningshuis en grote bedrijven samen de wereld in om die export te bevorderen. Twee derde van de Nederlandse export betreft echter doorvoer en heeft weinig toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie of werkgelegenheid. Al met al is de Nederlandse economie voor zeventig procent afhankelijk van de binnenlandse afzet en dus de binnenlandse koopkracht.
    Van de dertig procent export gaat bovendien twee derde naar Duitsland, België, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Italië. Dat is van belang om in het achterhoofd te houden als er vanuit exportbelangen bijvoorbeeld gepleit wordt voor lagere lonen of minder regels: in deze landen zijn de lonen immers door de bank genomen niet lager en de regels niet soepeler.
    Exportcijfers zeggen eigenlijk weinig meer nu onderdelen van een product over de hele wereld gemaakt worden en dan, bijna toevallig, in een land in elkaar gezet worden. Bepalend is niet waar het in elkaar zetten gebeurt, maar of je essentiële onderdelen van de productieketen levert.
    Overigens staat Nederland in de top-drie van de Enabling Trade Index (na Singapore en Hongkong) van het World Economic Forum, dus over de exportpositie hoeven we ons voorlopig weinig zorgen te maken.
    Opmerkelijk is overigens dat de westerse landen die zelf hun economieën heel lang afgeschermd hebben, juist om eerst zelf economische kracht op te bouwen, nu beweren dat vrijhandel goed is voor ontwikkelingslanden. Op een zeker moment is vrije handel goed voor de economische groei van een land, zegt Harry Garretsen, hoogleraar internationale economie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Maar eerst moet de economie van een land sterk genoeg zijn om de concurrentie aan te kunnen. Én er moet een institutionele structuur zijn waardoor die vrije handel goed geregeld is, anders wordt het een vorm van leegroof.
    In veel landen is aan die twee voorwaarden nog niet voldaan en dan is een vorm van protectionisme verstandig, zegt Garretsen: ‘Het is een simplistisch idee van beleidsmakers dat vrije handel altijd goed is.’ Daar is inmiddels overigens ook het IMF van overtuigd. De Japanse auto-industrie vaart nu wel bij vrije handel, maar vergeten wordt dat ze tot wasdom kwam dankzij veertig jaar protectionisme en subsidies.
    Een ander misverstand is dat wat tegenwoordig vrijhandel heet (het afbreken van alle handelsregulering) een voorwaarde is voor handel tussen landen. ‘Er wordt vaak de indruk gewekt dat het alles of niets is: alsof er alleen gehandeld kan worden als er geen enkele beperking of regel is. Terwijl de meeste handel natuurlijk plaatsvindt binnen regels.’
    Een van de redenen waarom er na de deconfiture van de financiële sector in 2008 in Nederland weinig maatregelen zijn genomen tegen bijvoorbeeld banken en hedgefondsen is dat de sector van groot belang heet te zijn voor de Nederlandse economie en werkgelegenheid. De financiële sector, oftewel de banken, verzekeraars, pensioenfondsen en beleggers, was in 2013 goed voor 7,3 procent van het bbp. Daarmee is de financiële sector in Nederland groter dan in de meeste andere landen. Maar in werkgelegenheid is de sector beperkt: drie procent.
    Het valt voor het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) overigens niet mee om het aandeel van de financiële sector in het bbp te bepalen, want wat is de toegevoegde waarde van geld dat vooral heen en weer flitst? Het CBS telt bijvoorbeeld het verschil tussen de rente waarmee een bank geld uitleent (stel drie procent) en de rente die een bank voor dat geld betaalt (stel één procent) mee in het bbp.
    Volgens Lex Hoogduin, voormalig directielid van De Nederlandsche Bank, heeft de financiële sector de economie eerder kwaad gedaan dan goed. De groei van de financiële sector heeft een rem gezet op de productieve sector en daarmee op de reële economie. Het was immers voor iedereen met geld aantrekkelijker om te speculeren met financiële producten dan om in de reële economie te investeren. De financiële sector trekt niet alleen geld maar ook arbeids¬krachten weg uit productieve sectoren.
    De acties vanuit de financiële sector gaan regelmatig ten koste van de ‘echte’ economie, want ten koste van bedrijven, stelt Hans Schenk, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en lid van het Sustainable Finance Lab. Hij berekende dat financiële instellingen en aandeelhouders in Europa in de jaren voorafgaand aan 2008 jaarlijks duizend miljard euro besteedden aan fusies en overnames van Europese bedrijven. Doordat de meeste van die fusies en overnames mislukten, ging minstens 65 procent van het geld in rook op. Ten koste van de betreffende bedrijven: ze hadden geen geld meer om te investeren, moesten personeel ontslaan en waardevolle onderdelen verkopen om de verliezen te dekken. Bij sommige betekende dat het einde van het bedrijf, zoals nu met V&D dreigt te gebeuren. Het private equity-fonds zet de kosten van de overname op de balans van het gekochte bedrijf, verkoopt de waardevolle onderdelen van het bedrijf (het vastgoed bijvoorbeeld) en de rest van het bedrijf gaat kopje onder.
    De marktwerking gerelativeerd
    Mariana Mazzucato, hoogleraar economie aan de Universiteit van Sussex, legt in The Entrepreneurial State bloot dat het overgrote deel van technologische innovaties in overheidslaboratoria tot stand komt, en dus niet, zoals vaak wordt gedacht, op de markt. Zo is zelfs de iPhone voor zeventig procent te danken aan innovaties vanuit de overheid. Het is dan ook volkomen onterecht dat de overheid vaak wordt weggezet als een logge en bureaucratische remmer van innovaties, tegenover een dynamische innovatieve private sector, betoogt zij.
    De markt springt vaak pas in op innovaties nadat de overheid de eerste risicovolle investeringen heeft gedaan. Hoogleraar innovatie Alfred Kleinknecht: ‘Dat kun je de markt niet kwalijk nemen, bedrijven kunnen moeilijk hoge kosten maken als volkomen onduidelijk is wat het gaat opbrengen. Het is alleen wel zo fair om de rol van de overheid ruiterlijk te erkennen.’
    ‘Privatisering dient om het overheidsbedrijf te moderniseren en fit te maken voor de vrije markt. Door het bloot te stellen aan concurrerende krachten wordt het gedwongen tot een efficiënte bedrijfsvoering.’ Was getekend oud-VVD-leider Frits Bolkestein in januari 2000. Ontelbare afdelingen en taken van de overheid werden in de afgelopen decennia ‘verzelfstandigd’ of geprivatiseerd met de premisse dat de markt het beter, want goedkoper, kan. Maar niet alleen is de markt soms duurder, ook heeft ‘goedkoper’ wel een prijs. Het gaat vaak ten koste van andere publieke waarden en belangen, zegt Paul de Bijl, zeven jaar hoofd van de sector marktordening van het Centraal Planbureau (CPB) en nu zelfstandige. Want alleen als publieke belangen ‘contracteerbaar’ zijn, oftewel vast te leggen zijn in bijvoorbeeld prestatieafspraken, kun je ze echt zekerstellen. Veel publieke belangen, zoals veiligheid, werkgelegenheid, gezondheid, milieu of gelijke toegang, zijn eigenlijk niet vast te leggen en komen bij marktwerking en privatisering in het gedrang, stelt hij. Bedrijven (en als bedrijf aangestuurde verzelfstandigde overheidsdiensten) zullen altijd hun winst willen maximaliseren, en kosten besparen door de niet-contracteerbare kwaliteit uit te hollen. ‘Die maatschappelijke kosten zijn onderbelicht gebleven tijdens de marktwerkingshausse.’
    De vermarkting in de publieke sector heeft geleid tot wat de socioloog Abram de Swaan zo mooi ‘pre-crimineel gedrag’ noemt: er zijn (nog) geen wetten die het officieel verbieden, maar immoreel en amoreel is het wel. Van Maserati’s tot topsalarissen en van gokken met publiek geld tot prestigeprojecten. Ook voor het leegtrekken van geprivatiseerde bedrijven is vaak gewaarschuwd, maar heeft amper of geen bescherming daartegen opgeleverd. Hierdoor kan het voorkomen dat de overheden niet alleen deze bedrijven te goedkoop en zelfs soms met garanties voor de investeerders in de markt gezet hebben, maar nu ook weer moeten betalen voor het in stand houden van deze inmiddels leeggeroofde bedrijven.
    De overheid als (directe of indirecte) werkgever en het belang van een sterke publieke sector
    Over het bevorderen van werkgelegenheid via de publieke sector kunnen we kort zijn. Het kabinetsbeleid is juist gericht op een kleinere publieke sector, onder meer door in de zorg betaald werk te vervangen door onbetaald werk. In de zorg verdwijnen de komende tijd 30.000 banen, zo schreef het kabinet in de arbeidsmarkteffectrapportage. Nog zeer recent lekte uit dat een nieuwe reorganisatie dreigt bij de Belastingdienst met een verlies van 5000 (!) arbeidsplaatsen, terwijl de dienstverlening van wat ooit het paradepaardje was in de publieke uitvoering van landelijke administratiediensten al weer jarenlang een steeds groter wordend drama is. Als dit drama doorgaat zal opnieuw blijken dat minder werk niet meer kwaliteit is.
    Het was al een terugkerend thema en zeker tijdens de financiële crisis zwelt de mantra weer aan: de overheid leeft op te grote voet, de publieke voorzieningen moeten soberder. Er is echter geen enkel verband tussen de omvang van de publieke sector en de economische groei van landen. Scandinavië, met een prima economische groei en een grote publieke sector, is daarvan een helder bewijs.
    Zeker, de publieke sector wordt betaald van belastinggeld en premies, maar er is geen relatie tussen een hoge ‘collectieve lastendruk’ (de optelsom van belastingen en premies) en de economische groei of de werkgelegenheid. De collectieve lastendruk is op dit moment 38 procent, oftewel van alles wat in Nederland ¬verdiend wordt, gaat 38 procent naar de ¬overheid om er publieke voorzieningen en uitkeringen ¬waaronder de AOW mee te betalen. In 1993 was de lastendruk 42 procent, en zowel groei als werkgelegenheid was er niet minder om.
    Een van de argumenten tegen hoge premies en belastingen is dat ‘werken dan niet meer loont’ en mensen dan minder willen werken. Uit steeds meer onderzoek blijkt echter dat mensen hun keuze over hoeveel ze werken hier niet van laten afhangen (zie onder meer onderzoek van de belastingspecialisten Joel Slemrod en Jon Bakija). Bovendien hoeft de belasting niet eenzijdig geheven te worden op lonen, heffing kan ook op vermogen, milieuvervuiling, vernietiging (niet kunnen recyclen) van grondstoffen, etc.
    Je kunt ideologisch voor of tegen een grote publieke sector zijn, je kunt ideologische opvattingen hebben over wat je liever in de markt organiseert en wat liever collectief, maar economisch maakt het niets uit waar iemand zijn of haar brood verdient. Er bestaat dus ook niet zoiets als ‘echte’ banen (markt) en surrogaat¬banen (publiek).
    Voor het draagvlak van de publieke sector en van overheidsuitgaven is vanzelfsprekend wel van belang dat het geld efficiënt en goed besteed wordt en mensen het gevoel hebben dat ze er zelf, direct of indirect, baat bij hebben.
    De hoeveelheid geld die via de overheid wordt herverdeeld en besteed is met 44,5 procent van het bbp in Nederland iets lager dan het gemiddelde van de EU. Lager dan Nederland zitten de voormalige Oostbloklanden, Groot-Brittannië, Ierland, Spanje en Cyprus. Met die 44,5 procent worden niet alleen de publieke sector en de overheid zelf bekostigd, ook de AOW en alle andere uitkeringen zitten erin. Zeventig procent van de via de overheid verdeelde 260 miljard gaat naar onderwijs, zorg en sociale zekerheid. Wie wil bezuinigen zonder dat dit ten koste gaat van deze drie heeft dan ook een harde dobber.
    Een grote publieke sector is, zoals hierboven al uiteengezet, in economisch opzicht geen enkel probleem is. Er is geen objectieve maatstaf voor de optimale omvang van de publieke sector. Naarmate spullen dankzij technologische innovatie en stijgende arbeidsproductiviteit relatief goedkoper worden, is het zelfs logisch dat de publieke sector een groter deel van het nationaal inkomen gaat kosten: de (arbeids)productiviteit in zorg en onderwijs kan immers veel moeilijker toenemen dan in de industrie, zakelijke diensten of de landbouw.
    Voor de fijnproevers: de overheid beschikt behalve over belasting- en premieopbrengsten ook over gasinkomsten, hoe actueel, en leent geld (het financieringstekort) en kan daardoor 44,5 procent van het bbp besteden, terwijl de lastendruk (de optelsom van belastingen en premies, als percentage van het bbp) maar 38 procent is.
    Reïntegratie werkzoekenden
    De ‘banenplannen’ van zowel de landelijke als de lokale overheden zijn vrijwel louter gericht op het geschikt maken van uitkeringsgerechtigden voor vacatures, niet op meer werkgelegenheid. De plannen gaan over scholing, reïntegratietrajecten, loonsubsidies en werk met behoud van uitkering. Geen maatregelen die zorgen voor meer werk, maar hoogstens dat het werk wat meer tussen mensen rouleert. In de bijbehorende persberichten staat echter steevast dat het een X-tal banen oplevert. Het Platform Arbeidsmobiliteit telde al die lokale en landelijke banenplannen bij elkaar op en ontdekte dat er volgens die plannen meer banen bij komen dan er werklozen zijn.
    Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw wordt werkloosheid in het publieke discours niet langer neergezet als een gebrek aan banen, maar als een gebrek van de werkloze: als deze zich schoolt, arbeidsdiscipline oefent, de taal spreekt en z’n kleding aanpast, komt die baan wel. De hiervoor al genoemde modellen van het CPB die redeneren vanuit een situatie van voldoende banen werken dit in de hand.
    Zo ontstond een waar woud van reïntegratietrajecten en disciplinerende maatregelen voor werklozen. En ook nu er zo’n 630.000 officiële werklozen zijn, op 113.000 vacatures, gelooft de gemiddelde beleidsmaker nog heilig in de ingeslagen weg. Alleen al het reïntegratiebeleid voor bijstandsgerechtigden, arbeidsongeschikten en WW’ers kost miljarden per jaar. Overigens is juist de belangrijkste drempel die mensen ervan weerhoudt om vanuit een uitkering werk te accepteren nog niet geslecht: de ondoorgrondelijke bijverdienregels en het feit dat je nadat je even gewerkt hebt weer erg moeilijk in de uitkering terug kunt. Veel aangeboden werk is slechts tijdelijk en in deeltijd, en switchen tussen uitkering en werk is uitermate gecompliceerd, evenals het combineren van uitkering en werk.
    Arbeidstijdverkorting
    Het lijkt zo voor de hand liggend: als werk een steeds schaarser goed wordt, én zo belangrijk is voor mensen, moet je het eerlijker verdelen. Volgens de modellen van het CPB leidt een vermindering van het aanbod van arbeidskracht echter tot minder werk, dus is volgens het CPB arbeidstijdverkorting slecht voor de werkgelegenheid. Ook hier wreekt zich weer het feit dat het CPB redeneert vanuit volledige werkgelegenheid: als iedereen nu werk had en plotseling twee uur per week minder ging werken, zou er inderdaad minder gewerkt en geproduceerd worden. Maar dat is niet de situatie waarin we zitten. De afgelopen 115 jaar is de volledige werkweek gestaag afgenomen van pakweg 55 uur rond 1900 tot 38,5 uur vanaf 1982. Dat de werkloosheid ondanks de toevloed van vrouwen niet uit de klauwen liep, was mede te danken aan arbeidstijdverkorting en deeltijdwerk. Na 1982 kwam de klad in de collectieve arbeidstijdverkorting. Doordat deeltijdwerk normaler is geworden kunnen mensen individueel voor een kortere werkweek kiezen en is collectieve arbeidstijdverkorting (ATV) dus minder nodig, beschouwd vanuit de werkenden. Dat doet echter niet af aan het maatschappelijke motief voor een collectief kortere werkweek: mensen die nu aan de kant staan kans geven op werk. Het voorstel van partijgenoten Van Kemenade, Ritzen en Woltgens “Om een werkbare toekomst” dat op het partijcongres van 1983 werd aangenomen om tot een 25-urige werkweek te komen, heeft het in de samenleving (nog?) niet gehaald.
    Even is er wel ingezet op verdeling van het bestaande werk, toen direct na het uitbreken van de crisis in 2008 de deeltijd-WW werd ingezet. Maar dat was heel tijdelijk. De weerstand tegen ATV wordt gevoed door het wijdverbreide idee dat de arbeidstijdverkorting in de jaren 1980 niet gewerkt heeft. Volgens hoogleraar en arbeidsmarkteconoom Paul de Beer liggen de feiten echter veel genuanceerder. Ten eerste is de arbeidstijdverkorting toen veel minder sterk doorgevoerd dan werd beleden, en zonder die arbeidstijdverkorting was er veel meer werkloosheid geweest.
    Volgens tegenstanders van arbeidstijd¬verkorting remt het de economische groei: ervan uitgaande dat werkgevers nu de efficiëntste mensen hebben uitgekozen, gaat de arbeidsproductiviteit omlaag als de iets mindere goden mee komen doen. Hoogleraar innovatie Alfred Kleinknecht verwacht eerder het omgekeerde: door vermindering van stress en werkdruk worden de huidige werkers mogelijk juist productiever als de werkweek korter wordt.

    In bovenstaande grafiek (ontleend aan het artikel van mede-Linksom-er Victor van Rij Aanzet tot een vernieuwd voorstel naar een 25-urige werkweek, waarin ook een interessant historisch overzicht en meer literatuur over de ATV te vinden zijn) worden de werkloosheid gegevens van Nederland weergegeven vanaf 1950 tot 2014. Het is evident dat de werkloosheid na een geringe toename in 1974 een enorme toename te zien geeft sinds 1980 die een piek geeft omstreeks 1985. De aan deze toename ten grondslag liggende crisis wordt voornamelijk geweten aan de olie crisis, maar had in feite een meer structureler karakter dat gelegen was in de toenemende automatisering van sectoren die tegelijkertijd plaats had en zich steeds sterker begon te manifesteren in een exponentieel stijgende en beangstigende werkloosheid, die steeds meer jongeren trof. In deze tijd dook het begrip “verloren generatie” op voor met name schoolverlaters en afgestudeerden, die geen werk meer konden vinden waardoor hun “scholing en studie” snel in waarde afnam . In een periode van nog geen jaar ontstond de roep om arbeidstijdsverkorting, waarbij de PvdA met andere linkse partijen het voortouw nam. Een eerste resultaat werd bereikt in het door het kabinet Van Agt/den Uyl voorbereidde akkoord van Wassenaar (eind 1982) dat weliswaar bij het aantreden van het volgende (CDA/VVD) kabinet door werkgevers en de VVD niet erg haastig werd uitgevoerd . Daardoor werd door de PvdA (in de oppositie) en de vakbonden hoog (of liever gezegd laag in aantal uren per week) ingezet (zelfs tot een 25-urige werkweek). Het uiteindelijke compromis werd gevonden in een werktijdreductie van ongeveer 10 % (wat iets hoger lag dan de heersende werkeloosheid van 7 tot 8%) die voornamelijk gefinancierd werd uit een matiging van loonstijging. Mensen die al op deeltijd basis werkten werd de keuze gelaten om hun oorspronkelijk aantal uren te blijven werken (met een daarmee overeenkomende loonstijging) dan wel naar rato uren te verminderen met gelijk blijvend loon. De maatregel was op velerlei wijzen een succes, de door de automatisering ingezette stijging van werkloosheid werd gekeerd en nam zelfs in rap tempo af, de ongelijkheid in inkomen en werkdruk van part time en fulltime werknemers werd verminderd. De hoeveelheid parttime werk was in de voorafgaande periode “noodgedwongen” toegenomen. Vrouwen en jongeren kregen weer volop kansen om te werken en zich verder te ontplooien. Zo werd onder andere het AIO stelsel op universiteiten uit deze ATV gelden gefinancierd. We weten natuurlijk niet wat er gebeurd zou zijn als de ATV niet was ingevoerd maar uit de grafiek kan worden afgeleid dat de werkloosheid had kunnen doorstijgen tot meer dan 1,2 miljoen werklozen in 1990 (uitgaande van een positief effect van de ATV van 0,8 miljoen banen = 10 % van de beroepsbevolking).

    Net zoals in de jaren 1980 kan ook nu de remedie gevonden worden in een vergaande vermindering van de maximale werktijd onder min of meer gelijke randvoorwaarden als in de jaren 1980. Ook zou moeten worden bezien of het wel zo verstandig is om ouderen te forceren om “full time” door te laten werken tot een verhoogde pensioenleeftijd. Verwacht mag worden dat zo’n voorstel in eerste instantie op weerstand stuit bij een aantal economen, die zullen aanvoeren dat de economische groei hiermee wordt gehinderd met name door productiviteit vermindering per arbeidsuur (dat door deze economen bij full time aanstellingen hoger wordt verondersteld dan bij kortere werkweek aanstellingen). Een duidelijke evidence base is daarvoor echter niet te vinden. Factoren die productiviteit verminderen bij kortere werkweek aanstellingen zijn bijvoorbeeld meer overleg, meer reistijden van personeel. Deze worden echter steeds meer door ICT (virtual team meetings) en thuiswerk opgevangen. Terwijl er ook factoren zijn die juist tot hogere productiviteit leiden zoals uitgerustheid personeel. Van een algehele productiviteitsvermindering per arbeidsuur was in de jaren 1980 niets te merken. Er waren wel positieve effecten voor de koopkracht doordat werkelozen op grote schaal weer op een redelijk niveau konden mee consumeren. Er lijkt ook voldoende loonruimte te zijn om de ATV te financieren. Een verschil met de jaren 1980 is dat de fractie deeltijders (die keuze vrijheid gegeven kan worden voor tijd dan wel geld) nu groter dan in de tachtiger jaren, waardoor het totale effect minder groot zal zijn. Toch zou ook nu een arbeidstijd verkorting van 10 % al een enorm effect kunnen sorteren (Dat zou neerkomen op 32 uren = 4 daagse werkweek). De mensen die met deze ATV aan het werk kunnen komen dragen direct bij aan meer bestedingen en economische opbloei. Uit onderzoek blijkt dat een verkorte arbeidsdag leidt tot een hogere productiviteit omdat je meer gemotiveerde en gezonde werknemers krijgt. Op de ziekenzorg wordt zo mogelijk bespaard en ook ecologisch gezien is kortere werkdag interessant.

    Uiteraard kan worden aangevoerd dat arbeidstijdverkorting niet in alle beroepen en situaties toegepast kan worden. In recente wijzigingen van de Arbeidstijden wet zijn dan ook talloze uitzonderingen toegestaan voor verschillende beroepen waar langere tijden vrijwel niet te vermijden zijn. Sommige uitzonderingen leiden in feite tot zeer lange werktijden waar vraagtekens bij gezet kunnen worden. Ook een nadere blik op deze wetgeving lijkt geboden om tot een eerlijkere verdeling te komen maar vergt een meer specialistische benadering.

    Arbeidsethos en het recht op vrije tijd
    Het pleidooi om langer te werken past binnen een breder arbeidsethos dat van lang en hard werken een statussymbool maakt, met alle gevolgen van dien. Dat nieuwe arbeidsethos heeft niet alleen een effect op hoe we over pensioenen nadenken, maar ook op de arbeidsorganisatie zelf. Op 15 augustus 2013 kreeg de 21-jarige Moritz Erhardt, een werknemer van de Bank of America, een epileptische aanval terwijl hij een douche nam in zijn studentenflat te Londen. Toen de hulpdiensten Erhardt aantroffen, konden ze enkel nog zijn dood vaststellen. De dood van Moritz Erhardt veroorzaakte ophef, omdat ze naar alle waarschijnlijkheid gerelateerd was aan het spijkerharde werkritme waaraan hij onderworpen was. Erhardt werkte vaak tot vijf uur ’s ochtends en maakte zo dagen van veel meer dan twaalf uur.

    Natuurlijk is het geval van Erhardt extreem. Maar in zijn extremiteit is het illustratief voor een evolutie. In tal van sectoren, zoals de media, de academische wereld, de cultuursector of het bankwezen, is de druk om overuren te maken bijzonder groot. Het hangt samen met een ethos waarin een voortdurende concurrentiestrijd tussen collega’s heerst en hard werk gelijkgesteld wordt aan kwaliteit. Daarbovenop komt dat in sommige van deze sectoren de grens tussen werk en vrije tijd volledig vervaagt. Werk en leven vloeien naadloos in elkaar over.

    Deze tendens is dominant voor de hele arbeidsmarkt. Er wordt van werknemers een hogere inzet en meer flexibiliteit gevraagd. Om een actueel voorbeeld te geven: werknemers van Delhaize hebben wisselende uren tussen zes uur ’s ochtends en negen uur ’s avonds. Enkel de vrije dag ligt vast. Officieel hebben de werknemers van Delhaize recht op negen vrije zaterdagen, maar de sociale druk om die niet op te nemen is groot. Over dat arbeidsritme zegt een medewerker van Delhaize het volgende: “Onze rooster kennen we twee weken op voorhand. Het is te zeggen, op zaterdag wordt de rooster van de volgende twee weken uitgehangen. Een avond met vrienden plannen is heel moeilijk. Vergeet dat sociaal leven maar. Een feest je zaterdagavond? Veel kans dat je tot 20 uur moet werken.”

    Het pleidooi om langer te werken past binnen een breder arbeidsethos dat van lang en hard werken een statussymbool maakt, met alle gevolgen van dien. Dat nieuwe arbeidsethos heeft niet alleen een effect op hoe we over pensioenen nadenken, maar ook op de arbeidsorganisatie zelf. Toegenomen flexibiliteit leidt tot een situatie waarin werk steeds dominanter wordt ten opzichte van vrije tijd. Daarbij gaat het niet zozeer om een officiële toename van het aantal uren. Maar de onregelmatigheid van tewerkstelling kan van dien aard zijn dat het de vrije tijd volledig overschaduwt. Zorg voor kinderen of voor zieken en ouderen, familieleven of het onderhouden van een sociaal leven wordt zo steeds moeilijker. Dit heeft een drastisch effect op de levenskwaliteit. Uiteraard is er op het gebied van de arbeidswetgeving de afgelopen 200 jaar veel vooruitgang geboekt, mede dankzij de inzet van de vakbeweging en de sociaal-democratie. Maar dat maakt uitbuiting in onze tijd niet minder reëel. De stille getuigen van de hedendaagse uitbuiting zijn burn-outs, depressies en aan stress gerelateerde aandoeningen. In tegenstelling tot de dood van Moritz Erhardt halen degenen die onder deze aandoeningen lijden, veel minder de pers.

    Wanneer we het hebben over langer doorwerken in relatie tot onze pensioenen, dan dient ook een debat geopend te worden over onze huidige arbeidsorganisatie. Want inzetten op een steeds veeleisender arbeidsorganisatie en tegelijk pleiten voor langer werken, betekent niets anders dan meer dan een eeuw strijd tenietdoen onder het mom van economische noodzaak. Het recht op vrije tijd is een recht dat steeds minder als recht wordt erkend, laat staan wordt verdedigd. Wat vandaag vaak vergeten wordt, is dat die strijd bij uitstek een politieke strijd is. Het aantal uren of jaren dat gewerkt wordt, is geen economisch of sociologisch gegeven, maar het gevolg van een politieke beslissing. Dat het om een politieke machtsstrijd gaat tussen twee kampen, wist Marx reeds toen hij deze beroemde regels schreef: “De kapitalist staat in zijn recht als koper wanneer hij de arbeidsdag zo lang mogelijk probeert te maken en van één arbeidsdag zo mogelijk twee. Aan de andere kant (…)
    staat de arbeider in zijn recht als verkoper wanneer hij de arbeidsdag wil beperken tot een bepaalde, normale lengte. (…) Tussen twee gelijke rechten beslist de macht.”

    Is de politieke strijd tegen een verlenging van de loopbaan een conservatieve strijd, zoals tegenstanders wel eens beweren? Niet noodzakelijk. Pleiten tegen de richting waarin de huidige hervormingsvoorstellen gaan, hoeft helemaal niet gelijk te staan aan het behoud van een status quo. Veeleer dienen we te pleiten voor een hervorming in emancipatorische richting.

    Flexibilisering
    ‘De Nederlandse arbeidsmarkt zit op slot’, klinkt het al jaren. ‘Hervormingen’ moeten hier een eind aan maken. Onder het motto dat flexibilisering nodig is voor de economie en werk¬gelegenheid werd onder meer het ontslagrecht versoepeld, flexwerk gemakkelijker gemaakt, de WW verkort. ‘Nu zien mensen het nog als onrecht dat ze snel hun baan kunnen verliezen, maar uiteindelijk zal het een verworvenheid blijken die zorgt voor een veel lagere werkloosheid’, zei Nout Wellink bij zijn vertrek als president van De Nederlandsche Bank. De redenering is dat werkgevers eerder mensen aannemen als ze hen ook weer makkelijk kwijt kunnen. Bovendien maakt het bedrijven wendbaarder, en dat zou weer goed zijn voor concurrentiekracht en economische groei.
    Bedrijven en de publieke sector sloegen de afgelopen jaren hard aan het flexibiliseren: werk outsourcen, meer tijdelijk personeel, uitzendkrachten, werken met ‘payroll-bedrijven’, de schoonmaak, bewaking en catering uitbesteden et cetera. Bij de Radboud Universiteit heeft inmiddels nog maar 26 procent van de vijf¬duizend medewerkers een vaste aanstelling.
    Uit een onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in 2006 blijkt echter geen positief verband tussen een flexibele arbeidsmarkt en een hogere economische groei. Dat wordt bevestigd door onderzoek van de bekende Koreaans-Britse econoom Ha-Joon Chang: in landen met een gereguleerde arbeidsmarkt is de groei hoger dan in landen met een ‘flexibeler’ arbeidsmarkt.
    Bij bedrijven met veel tijdelijke werknemers is de arbeidsproductiviteit minder hoog, stelde arbeidseconoom Ronald Dekker van de Tilburgse universiteit vast. Wel logisch, vindt hij: er moeten steeds nieuwe krachten ingewerkt worden, mensen op een tijdelijk contract zijn de laatste maanden van hun contract vaak minder productief, en aanbesteding en inkoop bij andere bedrijven betekent dat er altijd geld aan de strijkstok van dat andere bedrijf blijft hangen.
    Dit alles betekent overigens wel dat op korte termijn flexibilisering goed kan zijn voor de werkgelegenheid. Door een lagere arbeids¬productiviteit zijn er immers meer mensen nodig om hetzelfde product te maken. Dat kan een wens zijn, maar goed voor de economie is het niet, stelt Kleinknecht: het bruto binnenlands product stijgt niet en op termijn maakt het je ¬minder concurrerend. Een flexibele arbeidsmarkt is bovendien slecht voor de innovatie, ¬ontdekte hij. Personeel waar in geïnvesteerd wordt en dat zich verbonden voelt aan een bedrijf, draagt meer bij aan innovatie dan los-vaste mensen. Door meer flexwerk trekt Nederland ¬bovendien laagopgeleide arbeidsmigranten aan.
    Overigens is het de vraag of de Nederlandse arbeidsmarkt wel zo ‘op slot’ zit. De ‘baanmobiliteit’ is in Nederland bijvoorbeeld veel hoger dan je op grond van staatjes zou zeggen. Nederland kent relatief veel grote bedrijven en als je dan van baan verandert binnen het bedrijf telt dat niet mee als baanmobiliteit. Ook het CPB benadrukt dat de Nederlandse arbeidsmarkt veel flexibeler is dan vaak wordt aangenomen.
    In discussies over werk gaat het vaak over ‘insiders’ en ‘outsiders’ op de arbeidsmarkt. Waarbij het, zo klinkt het dan vaak, aan de (rechten van de) insiders ligt dat de outsiders het zo slecht getroffen hebben. Wie de outsiders zijn wordt niet altijd benoemd: gaat het over zzp’ers? Over mensen met een tijdelijk contract? Over werklozen? Of over mensen met een laag loon, de zogeheten werkende armen? Hoe het ook zij, de redenering dat het aan de rechten van de insiders te wijten is dat de outsiders het slecht getroffen hebben, is een eigenaardige. Om zzp’ers meer rechten te geven is het niet nodig de zekerheden van werknemers te verminderen.
    Het is sowieso populair om mensen tegenover elkaar te zetten: de werkgevers zetten bij de komende CAO-onderhandelingen in op ‘een herverdeling tussen generaties’: het verminderen van de verworvenheden voor ouderen, ‘want dat is goed voor jongeren’.
    Mensen leveren beter werk als je hun de kans geeft om zich met dat werk te verbinden, er hun ziel in te leggen. Arbeid krijgt zo zijn waarde weer terug. Daarom is het weer in dienst nemen van schoonmakers bij de Rijksoverheid zo’n belangrijke maatregel.
    Het aantal werkenden met een tijdelijk contract is de laatste jaren sterk toegenomen, evenals het aantal zelfstandigen zonder personeel (ZZP). Eén op de drie werkenden heeft nu geen vast dienstverband. Zij vormen de stootbumper op de Nederlandse arbeidsmarkt. ZZP-ers komen pas in aanmerking voor een bijstandsuitkering als ze hun vermogen, inclusief woning, hebben ‘opgegeten’. Ze doken na de crisis in 2008 aanvankelijk niet op in de werkloosheidsstatistieken.
    De Wet werk en zekerheid, die op 1 juli a.s. in werking treedt, beoogt de verschillen tussen flexwerkers en vaste medewerkers te verkleinen. Het wordt goedkoper vaste medewerkers te ontslaan en de duur van de WW wordt beperkt tot twee jaar, maar vanaf juli krijgen ook flexkrachten recht op een ‘transitievergoeding’ als ze twee jaar voor een bedrijf hebben gewerkt. Die vergoeding is minimaal één derde maandsalaris per gewerkt jaar, zij het maximaal 75 duizend euro. Tegelijk krijgen flexwerkers eerder recht op een vast contract: na drie contracten in twee jaar (nu na drie contracten in drie jaar). Om draaideurconstructies tegen te gaan mag een flexkracht pas na een half jaar terugkomen (was drie maanden). Voor de 230.000 uitzendkrachten blijft het flexibeler: zes contracten in vier jaar. De eerste anderhalf jaar kan een uitzendkracht van de ene op de andere dag worden weggestuurd. De wet vloeit voort uit het Sociaal Akkoord tussen kabinet en sociale partners, maar de werkgevers willen dat niet, zo blijkt. Met het voortijdig ontslaan van uitzendkrachten proberen bedrijven nu op grote schaal de nieuwe ontslagregels te ontlopen die dan ingaan in Nederland. Ze lozen trouwe uitzendkrachten om te voorkomen dat ze vanaf juli de wettelijke ontslagvergoeding moeten betalen. Het inzetten van uitzendkrachten die in aanmerking komen voor een vast contract ‘is niet langer wenselijk, omdat dit arbeidsrechtelijke risico’s met zich meebrengt’, schrijft bijvoorbeeld het bestuur van ING Nederland. In de interne notitie aan ING-managers staat dat zij de uitzendkrachten ‘zorgvuldig en persoonlijk’ moeten informeren over het einde van hun ‘verblijftijd’. De ontslaggolf treft ten minste honderden uitzendkrachten, vermoedelijk veel meer. Uitzendkrachten zijn verbijsterd dat ze vacatures voor hun eigen functie tegenkomen nu ze op zoek zijn naar een nieuwe baan. ‘Ik was bijna toe aan een vast contract’, zegt een van hen. ‘Na drieënhalf jaar kreeg je dat hier ook. ING wil onder de nieuwe wet uit komen en ik kan opnieuw beginnen. Niet meer als uitzendkracht met een beetje zekerheid, maar als uitzendkracht die de komende anderhalf jaar elke dag maar moet afwachten of er werk is.’ Meerdere uitzendbureaus en uitzendkrachten melden deze maand aan de Volkskrant soortgelijke ervaringen als bij ING, maar willen om hun belangen niet te schaden niet bij naam worden genoemd. In de agrarische sector en de voedingsmiddelenindustrie raken uitzendkrachten ‘bij bosjes’ hun baan kwijt, zegt Henry Stroek van vakcentrale CNV. Uitzendbedrijven willen de ontslagvergoeding doorberekenen in de tarieven, maar veel werkgevers willen niet opdraaien voor wat bij een modaal salaris 1000 euro per jaar is per uitzendkracht. Ze melden dat ze af willen van de uitzendkrachten, bevestigt de NBBU, de werkgeverskoepel van kleinere en middelgrote uitzendbureaus. Ook de overheid zelf probeert onder de nieuwe flexwet uit te komen die tijdelijke werknemers per 1 juli meer zekerheid zou moeten geven. Rijkswaterstaat, de Belastingdienst, de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) zetten tientallen uitzendkrachten op straat die in aanmerking komen voor een vaste baan. Soortgelijke geluiden komen van flexkrachten die weg moeten bij uitkeringsinstantie UWV. Ze melden dat ondertussen nieuwe uitzendkrachten worden gezocht omdat hun werk gewoon doorgaat. Dat blijkt uit de eerste tweehonderd klachten die zijn binnengekomen bij het meldpunt van vakbond CNV. Het meldpunt werd ingesteld na berichten in de Volkskrant dat bedrijven, waaronder ING en Nationale-Nederlanden, op grote schaal flexkrachten dumpen. ‘De overheid gedraagt zich net als het bedrijfsleven. Zoals vorige maand ING deed, wil ook de overheid de nieuwe ontslagvergoeding niet betalen of mensen geen zekerheid bieden met een vast contract. Je mag toch verwachten dat de overheid het goede voorbeeld geeft’, zegt Maarten Post van het CNV. ‘Het verschuiven van vast naar flexibel werk is een trend die al langer gaande is, maar die wordt door de nieuwe wet versterkt.’ Volgens het kabinet gaat het slechts om ‘incidenten’, maar minister Asscher heeft inmiddels beloofd dit te zullen inventariseren. ‘Maar ook bij de overheid is een cultuurverandering nodig’, zegt de woordvoerder van Asscher. ‘Flexkrachten inzetten voor structureel werk is niet in de geest van de wet. Mede om die reden neemt de overheid vanaf volgend jaar schoonmakers in dienst en wordt payrollen (de werknemer werkt bij de overheid maar is bij een ander bedrijf in dienst), bij de overheid verboden. Veel flexkrachten zullen bij de overheid in vaste dienst komen, maar je houdt natuurlijk altijd flexibele krachten nodig om pieken op te vangen.’ De wet heeft een averechts effect, is inmiddels een veel gehoorde klacht. Vanuit bijvoorbeeld de RVO melden flexwerkers echter dat deze overheidsdienst de oude, kortere periode handhaaft, waardoor flexkrachten eerder op straat belanden. ‘Zijn we als uitzendkrachten iets opgeschoten met de nieuwe wet? Niets. We kunnen ons voor de WW weer melden bij het UWV.’ De RVO is de opvolger van AgentschapNL. Dat kwam eerder in opspraak doordat het jarenlang payrollers inhuurde, die goedkoper zijn omdat ze niet onder de ambtenaren-cao vallen en ook makkelijker kunnen worden ontslagen. Volgens de Belastingdienst worden flexkrachten alleen ingezet om pieken in het werk op te vangen en het UWV zegt dat het gebruikelijk is dat contracten aflopen rond 1 juli, en staat dat los van de nieuwe wet. Bij het UWV is iets minder dan een kwart van het personeel flexkracht. Het callcenter draait op 89 mensen met een vast en 704 met een flexibel contract. Onlangs is besloten de verhouding flex-vast ‘meer toe te laten groeien naar wat andere vergelijkbare werkgevers hanteren, zo stelt de Belastingdienst. ‘De 185 medewerkers die langer dan vijf jaar voor het UWV werken en een vast contract hebben bij een uitzendbureau komen in dienst van de uitkeringsinstantie.’ Uitzendkrachten lukt het echter slechts mondjesmaat een vast contract te krijgen. Nog geen 5 procent van de uitzendkrachten heeft een vast contract en wordt gedetacheerd bij een opdrachtgever. Ook uit het onderwijs en de zorg komen veel meldingen van flexkrachten die op straat worden gezet. Zorgmedewerkers zeggen dat ze worden ontslagen omdat instellingen geen vast contract willen geven. Ondertussen moeten ze hun opvolgers inwerken en melden ze personeelstekorten. In het onderwijs waarschuwen schoolbesturen dat ze leerlingen naar huis moeten sturen als een leerkracht ziek is omdat ze door de nieuwe wet invalkrachten na drie keer een vaste baan moeten geven. De Algemene Onderwijsbond Aob vindt dat onzin. ‘Er zijn scholen die gezamenlijk een vervangingspool zijn begonnen. Leerkrachten hebben op die manier de zekerheid van een vaste baan, de scholen hebben flexibele invalkrachten.’
    Het verschil in regulering tussen tijdelijke en vaste contracten is in geen enkel ander OESO-land zo hoog als in Nederland, ook na de invoering van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ). De Nederlandse arbeidsmarkt krijgt hierdoor een steeds meer gesegmenteerd karakter. Groepen werkenden hebben verschillende rechten en de doorstroming naar de contracten met de meeste rechten (vaste arbeidscontracten) is beperkt. Werkgevers gebruiken steeds vaker arbeidsrelaties waarvoor geen of weinig ontslagbescherming geldt, in toenemende mate ook ZZP-constructies. Conjuncturele schokken concentreren zich bij de groepen zonder vast contract. Bovendien heeft deze groep lagere lonen en minder opleidingskansen.
    Als het om hard werken gaat scoren de topfitte, hoogopgeleide Nederlandse arbeidskrachten goed op internationale ranglijstjes. Voor mensen die het tempo en de complexiteit op de werkvloer niet kunnen bijbenen is echter nauwelijks plaats. met hun beleid van aanbesteding dwingen gemeenten het bedrijfsleven om op het ene moment mensen aan te nemen en ze op het andere moment op straat te zetten. De lage tarieven van de sociale werkvoorziening drukken particuliere ondernemers uit de markt. Onbetaald werk en tegenprestaties dichten de groeiende gaten in gemeentelijke begrotingen, maar leveren uitkeringsgerechtigden weinig op. De nieuwe Participatiewet moet ervoor zorgen dat honderdduizenden mensen in de bijstand of met een beperking aan het werk gaan. Dat leidt tot nog meer concurrentie en verdringing voor laagopgeleiden. Als de overheid niet beter luistert naar mensen uit de praktijk, zo waarschuwt Will Tinnemans, in De Kwetsbaren – verdringing en concurrentie aan de onderkant van de samenleving – eindigen veel kwetsbare mensen de komende jaren in de marge. Het gaat daarbij om ca. 400.000 mensen in de bijstand (WWB), 100.000 mensen in de sociale werkvoorziening (WSW) en 235.000 jonggehandicapten (Wajong).
    De Participatiewet, die 1 januari jl. in werking trad, komt voort uit het sociaal akkoord tussen kabinet en sociale partners van april 2013. Mensen met een beperking zijn daarin afhankelijk geworden van banen die het bedrijfsleven en de overheid voor hen reserveren, en van sociale ondernemingen die in veel gevallen speciaal zijn opgezet om mensen met een beperking in de gelegenheid te stellen om met zinvol werk de kost te verdienen. Tinnemans betoogt dat de Participatiewet ontworpen is voor de economie van voor de crisis van 2008, met dreigende tekorten op de arbeidsmarkt door vergrijzing en ontgroening. Bezwaren vanuit de sector nu worden met zwierige gebaren door onze staatssecretaris Jette Klijnsma van tafel geveegd, waarbij ze met verve verdedigt wat ze nog maar kort voor haar aantreden fel verwierp. Het bezuinigingsmotief speelt bij de Participatiewet een grote rol: WWB, WSW en Wajong kosten in 2014 jaarlijks 11 miljard euro, en dat zou bij ongewijzigd beleid doorgroeien naar 13,5 miljard in 2019. Door de Participatiewet moet die stijging beperkt blijven tot 11,8 miljard euro. Nu het maatschappelijk perspectief sinds de crisis van 2008 gewijzigd is van dreigende arbeidstekorten naar duurzame hoge werkloosheid verliezen echter wel veel mensen in de Wajong hun uitkering en kunnen mensen niet meer instromen in de WSW, maar omdat werk ontbreekt dreigen zij in de bijstand te komen. Omdat gemeenten het overschot aan bijstandsgerechtigden vrij mogen besteden, zullen ze alles op alles zetten om kansrijke bijstandsgerechtigden aan werk te helpen. Het budget voor re-integratie is beperkt en is met de invoering van de Participatiewet absurd genoeg nog verder gekort. Zo ontstaat een ‘granieten bestand’ van onbemiddelbaren, om wie niemand zich nog bekommert.
    De mensen met de zwaarste beperkingen kregen voorheen sowieso een uitkering. Van de mensen die wel tot arbeid in staat waren, vond 1 op de 20 een reguliere baan in het bedrijfsleven. Nog eens 1 op de 3 werd door de sociale werkplaats gedetacheerd bij reguliere bedrijven of bij gemeentelijke diensten. Als ze in staat waren om te werken, maar nergens aan de slag konden, was er voor die arbeidsgehandicapten met een WSW-indicatie plaats in een sociale werkplaats zelf, waar ze een cao-loon ontvangen dat kan oplopen tot 130% van het minimumloon. De WSW mag vanaf 1 januari jl. echter geen nieuwe instroom meer toelaten en de bijdrage voor gemeenten van jaarlijks 27.000 euro per WSW-er is met 20% omlaag gegaan, zodat het verschil met het minimumloon kleiner wordt. Het merendeel van mensen die tot 1 januari naar de WSW kon, moet nu werk zoeken in het reguliere bedrijfsleven of bij de overheid, de droom van Diederik Samsom die in de nachtmerrie van de bijstand ontaardt door gebrek aan werk – als ze tenminste aan de steeds strenger wordende criteria van de bijstand voldoen. Zo niet, dan verdwijnen ze geheel uit zicht.
    Jetta Klijnsma zei in een interview vlak voordat het kabinet Rutte II aantrad nog: “Voor veel mensen is de sociale werkvoorziening het ei van Columbus. Ze zijn heel trots dat ze er werken. Die beschermde werkplekken mogen we nooit afbreken.” Korte tijd later zou ze exact het plan van Rutte I dat ze in dat interview zo bekritiseerde, inclusief ‘draconische’ bezuinigingen en de sterfhuisconstructie van de WSW, met verve verdedigen. Wel werd er in het regeerakkoord een nieuw element aan de plannen van Rutte I toegevoegd, de quotumregeling. Om al die WSW-ers en Wajong-ers aan werk te helpen moeten bedrijven met meer dan 25 werknemers 5% van de banen reserveren voor arbeidsgehandicapten, op straffe van 5000 euro boete per niet ingevulde arbeidsplaats. Om het verschil te overbruggen tussen wat de werknemer zelf voor het bedrijf kan verdienen (de zgn. loonwaarde) en het wettelijk minimumloon, kunnen ondernemers aanvullende subsidie krijgen. De arbeidsgehandicapten krijgen een no-risk polis mee: de werkgever krijgt een ziektewetuitkering voor gehandicapte werknemers die ziek worden. In het sociaal akkoord werd het aantal banen beperkt tot 100.000 banen in het bedrijfsleven en 25.000 voor de overheid in 2026. De regeling van 5% met de boetes blijft als stok achter de deur in stand voor het geval de werkgevers hun afspraak niet nakomen. Het bedrijfsleven gaat in 2015, 2500 mensen met een arbeidsbeperking extra aan het werk helpen. Het jaar daarop 5000 mensen extra. Dat aantal neemt daarna jaarlijks met 1000 toe, tot er vanaf 2020 jaarlijks 10.000 mensen extra worden aangenomen. De afspraken uit het Sociaal Akkoord
    zijn niet vrijblijvend. Als de afgesproken extra banen er niet komen, treedt de in het wetsontwerp vastgelegde quotumplicht in werking. Een eerste beoordeling vindt in 2016 plaats.

    Tot 2018 moet het bedrijfsleven al 40.000 banen voor arbeidsgehandicapten realiseren. Tegelijkertijd zal het bestand bij gemeenten met 94.000 mensen groeien, exclusief de werklozen die niet aan het werk komen en van de WW de bijstand instromen, zo rekende de Raad van State eind 2013 voor. Dus zelfs als de quotumregeling zal lukken, dan neemt het bestand van gemeenten van mensen zonder werk met zeker 54.000 mensen toe, waarvoor duurzaam verblijf in de bijstand dreigt. De Raad van State vraagt zich bovendien af waarom de quotumregeling wel zou werken bij hoge werkloosheid. De Raad miste een inbedding in het algemene beleid voor de arbeidsmarkt, terwijl dat juist het succes van het lokale reïntegratiebeleid bepaalt. De Raad betwijfelt ook of de gemeenten hun taken adequaat kunnen uitvoeren met de voorgestelde instrumenten en de bijbehorende budgetten, waar nou juist stevig op gekort wordt. De reactie van het kabinet beperkte zich tot de stelling dat de Raad niet zo somber moest zijn, en dat men toch iets moest doen om juist voor arbeidsgehandicapten de kans op een baan groter te maken – er werd nadrukkelijk geen garantie op werk gegeven.
    Daniel van Vuuren en Krista Hoekstra van het Centraal Planbureau (CPB) vrezen dat werkgevers de vage definitie van ‘arbeidsgehandicapte’ optimaal zullen benutten om werknemers die ze al in dienst hebben te labelen als arbeidsongeschikt. Verder vrezen Van Vuuren en Hoekstra dat werkgevers vooral arbeidsgehandicapte werknemers zullen aantrekken die nu al bij kleinere ondernemingen, waarvoor de quotumverplichting niet geldt, werken. Dan is er alleen sprake van herschikking, terwijl er niet één extra baan voor arbeidsgehandicapten is bijgekomen. Zij verwijzen daarbij naar soortgelijke ervaringen in Oostenrijk (daar wordt 42% van de banen die meetellen voor het quotum voor arbeidsgehandicapte werknemers door herschikking ingevuld). Ook is daar hen gewezen op het gevaar van verdringing op de toch al beperkte arbeidsmarkt voor laagopgeleiden. Bij de behandeling in de Tweede Kamer is de doelgroep al verruimd naar arbeidsgehandicapte werknemers net boven het minimumloon. Daarbij is afgesproken dat als dit tot verdringing lijdt, het aantal te plaatsen werknemers in de quotumregeling wordt verruimd. Ook wijzen Van Vuuren en Hoekstra op de hoge administratieve lasten voor werkgevers, de kosten voor keuring (ter bepaling van de loonwaarde, iets wat objectief nauwelijks te meten is) door het UWV en de kosten van de controle op de handhaving van het quotum. Inmiddels blijkt dat gemeenten nog nauwelijks gehandicapte werknemers hebben aangemeld bij het UWV, om redenen van hoge kosten en administratieve problemen. Dat betekent dat het register waaruit werkgevers deze werknemers kunnen betrekken nog nauwelijks gevuld is en daarmee verschenen onlangs al de eerste berichten dat het quotum voor dit jaar zo niet gehaald kan worden. Voor quotumwerknemers dreigt bovendien stigmatisering.
    Het overgrote deel van de arbeidsgehandicapten is laagopgeleid. Ongeveer een kwart van de beroepsbevolking heeft hooguit een vmbo-diploma, 1 op de 7 van de beroepsbevolking heeft laag betaald deeltijdwerk, dit zijn vooral vrouwen. Het absolute aantal banen waarvoor hooguit een vmbo-diploma wordt gevraagd, staat al een poos op ruim 2,2 miljoen. Het aandeel in de beroepsbevolking is daarmee nu 30%. De onderkant van de arbeidsmarkt is de afgelopen decennia wel sterk veranderd door de toetreding van meer vrouwen, parttimers en ZZP-ers. Ook de aard van het werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt is tegelijkertijd veranderd. Waren het vroeger vooral banen in de industrie, bouw en agrarische sector, nu vind je ze vooral in de dienstverlening: schoonmaak, pakjesbezorging, horeca, detailhandel, transport, thuiszorg e.d. Juist mensen met een arbeidshandicap hebben vaak onvoldoende sociale en communicatieve vaardigheden die in deze sectoren vereist zijn.
    Tinnemans zoomt in op de taxibranche, een belangrijke werkgever voor mensen met een fysieke beperking. Dezelfde overheid die arbeidsgehandicapten aan werk wil helpen, voert tevens een scherp prijsgericht beleid van aanbestedingen in het vervoer van zieken, gehandicapten en scholieren. Social return heet het instrument in het aanbestedingsbeleid dat het bedrijf dat de opdracht binnenhaalt verplicht een aantal werklozen uit het gemeentelijk bestand een baan aan te bieden. Maar die sociale intentie blijkt in de taxiwereld een neerwaartse trend in gang te hebben gezet waarvan het einde nog niet in zicht is. er is sprake van draaideurwerkloosheid: mensen die een tijdelijke baan krijgen aangeboden omdat de winnaar van de aanbesteding dat heeft moeten toezeggen, vliegen er even vlot weer uit als de taxiondernemer daar aanleiding en kans toe ziet. De tijdelijke chauffeurs verdringen bovendien vaak arbeidsgehandicapten die het taxibedrijf al in vaste dienst had, maar die niet meetellen bij de aanbesteding. Een sociaal personeelsbeleid maakt de uurprijs in de aanbesteding hoger en daardoor zou de werkgever kansloos zijn ten opzichte van concurrenten die minder compassie hebben met zwakke groepen op de arbeidsmarkt.
    Sociale werkplaatsen laten hun personeel vaak exact hetzelfde werk doen dat ook bij private ondernemingen plaatsvindt tegen extreem lage, niet-commerciële tarieven, waardoor deze private ondernemingen klagen over oneerlijke concurrentie. Met de invoering van de Participatiewet stopt de instroom in sociale werkplaatsen weliswaar, maar de sterfhuisconstructie waarbij zittende werknemers mogen blijven, impliceert dat ze nog decennia zullen blijven bestaan. Sommige directeuren van WSW-instellingen beginnen in te zien dat hun voorziening in de nabije toekomst gangbare tarieven moet rekenen of het werk helemaal moet overlaten aan de commerciële markt, en zijn zeer pessimistisch over deze nabije toekomst.
    De omgang van gemeenten met de zgn. tegenprestatie in de bijstand, waarbij gemeenten bijstandsgerechtigden mogen verplichten werk aan te nemen zonder of tegen zeer lage vergoeding, in ruil voor behoud van uitkering, verschilt enorm. Nog los van onze principiële bezwaren tegen deze vorm van dwangarbeid blijkt het lastig te zijn om werkzaamheden te vinden die geen bestaand werk of vrijwilligers verdringen. De FNV signaleert dat deze verdringing wel degelijk volop plaatsvindt. Het gemarchandeer met bijstandsgerechtigden leidt hier en daar – bijv. bij een direct te royeren PvdA-wethouder in Apeldoorn – tot absurde situaties.
    Een afgeronde opleiding biedt nog altijd de beste kans op werk. De onfortuinlijken met weinig opleiding bezetten op het flexibele deel van de arbeidsmarkt het ene na het andere tijdelijke baantje met weinig inkomen en een grote kans op werkloosheid. Zij vormen het kwetsbare deel van de beroepsbevolking. In tijden van laagconjunctuur is er ook nog eens sprake van verdringing. Dat gebeurt niet door migranten, zoals blijkt uit onderzoek van het SEO eind 2012 (zij blijken vooral tijdelijke banen te bezetten waarvoor niet direct Nederlandse werknemers beschikbaar zijn: ze vangen seizoenspieken op of doen werk waartoe Nederlanders niet bereid zijn), maar vooral door studenten en scholieren, en door beter opgeleiden, die werk onder hun niveau accepteren. In de metropoolregio Amsterdam was in 2011 al de helft van de functies voor laagopgeleiden bezet door mensen met een hogere opleiding. De concurrentie aan de onderkant van de arbeidsmarkt neemt de komende jaren bij ongewijzigd beleid alleen maar toe met deze verdringing bij voortdurende hoge werkloosheid. Door de verhoging van de pensioenleeftijd groeit de potentiële beroepsbevolking de komende tien jaar met nog eens 620.000 personen. En daar komen dan nog enkele honderdduizenden arbeidsgehandicapten en bijstandsgerechtigden bovenop, die tot nu toe in de luwte van de arbeidsmarkt van een uitkering leefden of een beschutte werkplek hadden op een sociale werkplaats.
    De werkzaamheid van re-integratie van werklozen is nog nauwelijks onderzocht, maar uit de wetenschappelijke analyses die er zijn komt in elk geval niet naar voren dat scholing van laagopgeleiden en het opdoen van werkervaring in gesubsidieerde banen de kans op werk substantieel verhogen. Beide routes houden werklozen eerder van het werk af. Veel contact zet meer zoden aan de dijk evenals loonkostensubsidies aan de onderkant van de arbeidsmarkt.
    De bepaling van de loonwaarde van arbeidsgehandicapte werknemers blijkt een enorme bureaucratie op te tuigen, veel gedoe over het resultaat en vervalste cijfers. Het echte probleem is het tekort aan banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Door robotisering dreigt daar nog meer verlies aan werk. De quotumregeling geeft arbeidsgehandicapte werknemers in die concurrentiestrijd wellicht iets meer kans, maar dan ten koste van andere laag opgeleide kansarme personen op de arbeidsmarkt. Een oplossing voor de beroerde positie aan de onderkant van de arbeidsmarkt kan alleen gevonden worden als we erin slagen de koek daar te vergroten: dus arbeid voor laaggeschoolden terughalen of creëren.  
    3. Wat te doen? – Een actieplan
    3.1 Doelstellingen

    Dit plan heeft de volgende ambitieuze doelstellingen:
     om de werkloosheid in ons land binnen 4 jaar tenminste te halveren en binnen 6 jaar onder de 2% brengen. Daarbij moeten de percentages werklozen onder allochtonen, jongeren en 45-plussers tenminste op het niveau van de overige werklozen worden gebracht.
     Daarbij moeten tenminste 500.000 nieuwe arbeidsplaatsen worden gerealiseerd
     Daarnaast heeft dit plan als doelstelling om het aandeel flexwerk bij de inkomens beneden modaal tenminste te halveren,
     dat werk in de (semi)-publieke sector in beginsel rechtstreeks in loondienst wordt uitgevoerd,
     dat werknemers die structureel een te grote afstand op de arbeidsmarkt hebben om op een reguliere baan te kunnen werken wel een aanbod krijgen voor zinvolle dagbesteding en dat voor degenen die deze afstand wel kunnen overbruggen dat ook voor tenminste 80% lukt in een reguliere baan,
     dat tenminste 90% van de werknemers werk op een niveau dat tenminste overeen komt met hun opleidingsniveau,
     en – last but not least – dat buitenlandse werknemers in ons land niet meer kunnen werken onder de niveaus van beloning en rechtsbescherming zoals die ook geldt voor Nederlandse werknemers.

    3.2 Het actieplan

    Gegeven het hoge niveau van werkloosheid moet alles uit de kast gehaald worden voor meer werk, beter werk en eerlijk werk. Een eigentijds Plan voor de Arbeid voor het bereiken van deze doelstellingen heeft als belangrijkste onderdelen de volgende bouwstenen.

    Een New Green Deal voor investeringen in een snellere duurzame energietransitie, met een Groen Bouwplan voor meer sociale woningbouw, het verduurzamen van het woningen- en gebouwenbestand, een duurzame infrastructuur en de fysieke bescherming tegen wateroverlast, en bevordering van een innovatieve, circulaire economie – het MKB en familiebedrijven worden tezamen met kennisinstellingen daarbij in het bijzonder betrokken
    De industriepolitiek wordt heruitgevonden met een Deltaplan voor de duurzame maakindustrie.
    Het risico van ondernemerschap wordt verminderd door aanpassing van de faillissementswetgeving.
    Bovenstaande drie maatregelen moeten tenminste 100.000 extra arbeidsplaatsen opleveren.
    Bij de aanbestedingen in harde infrastructuur en in de verduurzaming van de energiesector moet de overheid eisen dat zij werklozen, en bij voorrang aan de harde kerngroepen daarin, inzetten. Dat geldt ook voor lagere overheden bij aanbestedingen.

    Generiek fiscaal beleid heeft slechts een gering effect op de arbeidsparticipatie, zo blijkt uit de recent verschenen CPB-studie Kansrijk arbeidsmarktbeleid. Het verlagen van de schijftarieven verlaagt met name de marginale belastingdruk, die in theorie werknemers stimuleert om meer uren per week te werken. Maar doordat de keuze voor het aantal uren per week nauwelijks reageert op financiële prikkels, is het effect klein. Ditzelfde geldt voor de indirecte belastingen (btw). Ook het verlagen van de algemene heffingskorting, die het netto inkomen van iedereen verlaagt, heeft vanwege het generieke karakter geen grote effecten. Gerichte fiscale maatregelen door progressieve verhoging arbeidskorting, werkt wel, ook volgens het CPB. Het CPB stelt dat een generieke verhoging van de arbeidskorting minder effectief is. Een verhoging met het hoogste niveau voor de onderkant van het loongebouw is het meest effectief. Dit moet tenminste 100.000 extra arbeidsplaatsen opleveren.

    Er komt een speciaal actieprogramma tegen jeugdwerkloosheid (25-), met maatregelen in het onderwijs (verlaging collegegelden voor opleidingen die toe leiden naar sectoren met arbeidstekorten, in mede gefinancierd door de werkgevers in die sectoren; er komen aanzienlijk minder gespecialiseerde studierichtingen in het MBO, HBO en WO, en er wordt extra geïnvesteerd in het MBO, in het bijzonder in duale opleidingen met leerwerktrajecten), en maatregelen op de arbeidsmarkt: werkgevers worden fiscaal gefaciliteerd voor het beschikbaar stellen van stageplaatsen en leerwerktrajecten, en er komen dwingende afspraken tussen overheid, werkgevers en werknemers om nieuwe werkgelegenheid voor laaggeschoolde jongeren te creëren door taken uit andere banen weg te halen en samen te voegen, het zgn. job carving. Naast de effecten van de crisis zijn er ook structurele veranderingen in de werkgelegenheid door automatisering, robotisering en een toename van het internet winkelen, die ook leiden tot netto-banenverlies, met name op MBO-2 en -3 niveau. Tussen 1998 en 2010 is het aandeel van deze banen met 4,5 % gedaald, terwijl in dezelfde periode het aantal hogere en lagere banen steeg met ruim 2 %. De opmars van de automatisering lijdt daar tot meer laaggeschoolde banen in de logistiek en meer hooggeschoolde banen in het programmeren van websites en apps, en in de elektrotechniek. En in de zorg worden zelfs specifieke cao-afspraken gemaakt dat een arbeidskracht tenminste een mbo-diploma niveau 4 moet hebben. Deze stille revolutie op de arbeidsmarkt is structureel en raakt ongeveer 1 miljoen mensen met de mbo-opleidingskwalificatie 2 en 3. Het is de kurk van de middenklasse in ons land, die in zijn werkgelegenheid structureel wordt bedreigd. In tegenstelling tot wat veel wordt gedacht zal na de crisis en door de vergrijzing en demografische krimp in de toekomst geen tekort ontstaan in de zorg en in de techniek op MBO niveau 2 en 3. Integendeel, er dreigen daar een miljoen banen te verdwijnen – voor altijd. ROC’s kunnen proberen om meer jongeren naar MBO niveau 4 te krijgen. Maar MBO niveau 4 is nu eenmaal niet voor iedereen haalbaar. Het structurele probleem is te groot en te fundamenteel om de ROC’s het te laten oplossen. Er zijn afspraken nodig tussen overheid, werkgevers en werknemers om nieuwe werkgelegenheid te creëren door taken uit andere banen weg te halen en samen te voegen, het zgn. job carving. Een voorbeeld: bij de politie kan de roep om ‘meer blauw op straat’ gerealiseerd worden door een deel van de administratieve taken die nu door de agenten worden uitgevoerd daar weg te halen en samen te brengen in een administratieve functie op mbo niveau 2 of 3 niveau. Iets dergelijks kan ook gelden voor docententeams in het onderwijs en voor groepen professionals in de dienstverlening of in de zorg.
    In plaats van huidige projecten en regelingen komt er een nieuw actieprogramma gericht op 45-plussers het volledig laten vervallen van werkgeverslasten in het eerste jaar van aanstelling en voor 50% in het tweede jaar, degenen die werkloos zijn bij bereiken van 65-jarige leeftijd krijgen tijdelijk direct toegang tot de AOW, en iedere 45-plusser die tenminste drie maanden werkloos is krijgt in overleg met een potentiële werkgever een op maat gemaakt her/nascholingstraject, deels gefinancierd uit de O&O-fondsen.
    De koopkracht wordt versterkt door verhoging lonen bij de (semi-)overheid, dus ook in zorg en onderwijs, en van de uitkeringen, en door sanering van de hypotheken die onder water staan. Zie hiervoor ook het Plan voor Herstel van de Solidariteit.
    Arbeidstijdverkorting: aansluiten bij de inzet van de vakbeweging voor arbeidstijdverkorting door invoering van de 4-daagse werkweek. Om ervoor te zorgen dat bij korte werkweken de laagstbetaalden er bij arbeidstijdverkorting niet op achteruit gaan, zou ze gepaard kunnen gaan met een premie- en belastingvrijstelling in de laagste loonschalen. Dat is meteen een belangrijk verschil met een individuele keuze voor deeltijd: laagbetaalden kunnen daar vaak niet voor kiezen, omdat ze dan te weinig overhouden om van te leven. Overigens opmerkelijk: juist mensen met hoge salarissen kiezen vaak niet vrijwillig voor korter werken, zo blijkt uit onderzoek. Paul de Beer heeft daar wel een verklaring voor: zij ‘verliezen’ meer inkomen door een uur korter werken dan mensen met een middeninkomen. De New Economics Foundation maakte er een vermakelijk filmpje over: About Time – 21 Hours.
    Arbeidsmarkt verstorende regels worden herzien, zoals het verlagen marginale druk op inkomen van vrouwen/minst verdienende partner en het aanpakken van de scheefgroei in verschillen tussen ZZP-ers en werknemers.
    De wet werk en zekerheid wordt geëvalueerd op zijn effecten en waar nodig aangepast. Er wordt meer ingezet op maatregelen die het verschil tussen vaste en tijdelijke contracten verkleinen. De segmentering van de arbeidsmarkt kan verminderd worden door ontslagvergoedingen uit te breiden naar situaties waarin ook een kort tijdelijk contract niet wordt verlengd, zoals in sommige andere landen met succes is toegepast.

    Er wordt een servicecontract (vgl. België) ingevoerd voor de markt van persoonlijke dienstverlening.

    Het Rijk maakt met andere overheden, publieke uitvoeringsdiensten en met publiek gefinancierde instellingen zoals in de zorg en het onderwijs de bindende afspraak dat werknemers met laaggeschoolde arbeid (schoonmakers, kantinepersoneel etc.) die in het verleden verdwenen zijn naar private partijen door uitbesteding van taken weer bij deze overheden en instellingen in dienst worden genomen.

    De bezuiniging in het kader van de Participatiewet wordt teruggedraaid en in plaats daarvan komen er juist meer middelen voor de arbeidsbemiddeling van deze moeilijkste bemiddelbare groep, ook in het kader van de quotumwet, en het structureel open houden van WSW-instellingen voor personen die daartoe op aangewezen blijven. De oude schoenen van de sociale werkvoorziening, waar er voor deze doelgroep wel werk is en waar mensen met goede begeleiding indien mogelijk werden gedetacheerd bij overheid of bedrijfsleven, dreigen zo weggegooid te worden voordat er ingelopen nieuwe schoenen zijn voor deze mensen. Mensen met een arbeidsbeperking worden in grote onzekerheid gebracht daar hun toekomst ongewis is. Ja, er zijn maatregelen bedacht om dit te voorkomen, maar een eenvoudige analyse leert dat deze geen enkele echte garantie geven. Zo is de situatie van arbeidsgehandicapte jongeren is inmiddels dramatisch; sinds de jaarwisseling zitten velen thuis omdat hun werk en/of leertraject is weggesaneerd. Ondertussen is het oude arbeidsvoorzieningsbeleid bijna weggesaneerd en moet de werkzoekende zich behelpen met websites die meer uit dan in de lucht zijn. De arbeidsbemiddeling wordt op regionaal niveau geïntensiveerd. Deze wordt wetenschappelijk ondersteunt en onderzocht op effectiviteit. Op lokaal niveau blijkt nauwelijks kennis over effectief arbeidsmarktbeleid aanwezig, en ze worden daar ook niet in geholpen. Goede diagnostiek over wat bij een bepaalde werkloze persoon zou helpen bestaat wel degelijk in het arbeidsmarktbeleid, maar wordt nauwelijks toegepast. Ook de kennis over het begeleiden van werklozen naar werk, wat werkt wel en niet, wordt nauwelijks toegepast. Gedragsverandering kan, maar is uitermate complex. Begeleiding van werklozen naar werk is een vak. Geen enkele gemeente meet nu welke interventies werken noch onderzoekt waarom dat zo is. Financiële overwegingen dicteren vaak lokale keuzes. In de praktijk heerst vaak de waan van de dag. Bestaande systemen dienen alleen ter controle van uitkeringen en slaan managementinformatie op. Er worden veel gegevens van burgers opgeslagen, vaak op een niet afdoende beschermde manier, zonder dat ze dat een steek verder brengt. Quota voor werkgevers voor werknemers met een arbeidsbeperking mogen niet worden verhandeld. Er komen gerichte loonsubsidies voor de onderkant van de arbeidsmarkt.

    Er komen tenminste 200.000 banen erbij binnen 4 jaar bij de (semi-)overheid: zorg, onderwijs, kinderopvang, arbeidsbemiddeling, politie, rechtspraak, reclassering, defensie, gemeenten, etc. Door bijvoorbeeld in de huishoudelijke zorg niet banen te schrappen maar juist extra werkgelegenheid te organiseren, wordt daarmee ook een bijdrage geleverd aan meer werkgelegenheid voor laaggeschoolden en mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De PvdA is wat ons betreft niet van de kleine overheid als ideologisch doel. Waar het efficiënter kan, prima, maar waar meer handen, harten en hoofden nodig zijn, moet dat worden geregeld en dat is volgens ons het geval. De overheid is de grootste directe en indirecte werkgever – in bijv. het onderwijs, in de zorg, in de kinderopvang, in de arbeidsbemiddeling en in de binnenlandse en de buitenlandse veiligheid, etc. De bezuinigingen onder dit en het vorige kabinet worden daartoe volledig teruggedraaid en er komt per sector een deelplan voor de extra werkgelegenheid die hier nodig is. Tentatief stellen wij nu al de volgende doelstellingen voor de komende 4 jaar:
    • zorg: 70.000 banen
    • onderwijs: 50.000 banen
    • kinderopvang: 15.000 banen
    • arbeidsbemiddeling: 5000 banen
    • politie, rechtspraak en reclassering: 15.000 banen
    • defensie: 10.000 banen
    • gemeenten: 5000 banen
    • overig: 30.000 banen (o.m. meer toezicht in het openbaar vervoer)
    Totaal: 200.000 banen.

    Kinderopvang wordt een collectief gefinancierde publieke voorziening, deels gefinancierd met collectieve premies bij werkgevers en (inkomensafhankelijk) bij werknemers, waardoor ook ouders met lagere inkomens meer kunnen werken. Daarnaast wordt het zorgverlof aanzienlijk verruimd: beide ouders krijgen een zorgverlof van ieder een half jaar in het eerste jaar van een geboren kind (bij alleenstaande ouders een volledig jaar). De door het CPB voorgestelde verlaging van fiscale kinderkorting voor ouders met jongere kinderen – die hun zouden prikkelen sneller en meer werk te accepteren – wordt door ons beslist afgewezen: niet alleen vergroot het de inkomensongelijkheid aanzienlijk, zoals het CPB zelf ook al constateert, het is ook een onaanvaardbare negatieve prikkel die ertoe kan leiden dat ouders te weinig tijd voor zorg aan hun kinderen besteden, hetgeen maatschappelijk ongewenst is en op termijn tot hoge maatschappelijke kosten kan leiden die buiten de modellen van het CPB blijven. Hetzelfde geldt voor een ook door het CPB voorgestelde generieke korting van de kinderbijslag. De kinderbijslag inkomensafhankelijk maken levert naar verwachting niet veel effect op voor de arbeidsmarkt, maar draagt wel bij aan eerlijker verdeling van inkomenssubsidies. Meer in het algemeen geldt dat wij de gedachte van het CPB afwijzen dat de aandacht van het arbeidsmarktbeleid afwijzen dat werklozen meer geprikkeld zouden moeten worden om werk te aanvaarden maar onze focus vooral willen richten op maatregelen die meer werkgelegenheid creëren en die drempels die werknemers nu ondervinden bij het aanvaarden van werk slechten. Het CPB constateert ook zelf dat het verhogen van subsidies aan ouders met jonge kinderen, zoals van de inkomensafhankelijke fiscale combinatiekorting en van de kinderopvangtoeslag ook helpt voor de arbeidsparticipatie. De CPB vindt dat echter ‘minder effectief’ dan bezuiniging op de kinderkorting omdat verhoging leidt tot vervanging van informele kinderzorg door formele kinderzorg: waar nu opa en oma het doen (als ze tenminste geen bijstand hebben, want dan dreigen ze daarop gekort te worden in sommige gemeenten!) dreigt dan dure kinderopvang zo denkt het CPB. Maar dat miskent de positieve kwalitatieve effecten van professionele kinderopvang en houdt ook geen rekening met de situatie dat grootouders niet of niet voldoende beschikbaar zijn. Ook zullen ouders zich als het om de inzet van grootouders gaat ook laten leiden tot niet-financiële afwegingen.
    Maatregelen die de hoogte, het bereik en de duur van de socialezekerheidsuitkeringen beperken, leveren volgens het CPB vrijwel altijd meer werkgelegenheid en productie op. Wij wijzen deze conclusie en benadering beslist af. Het gaat volledig voorbij aan het feit dat het probleem nu juist is dat er structureel en conjunctureel nu een enorm tekort is aan arbeidsplaatsen en dat het regime van sociale uitkeringen al vol zit met negatieve prikkels en sancties. Dat opjagen van werklozen help ze niet aan een baan, maar maakt armen steeds armer. In ons Plan voor Herstel van de Solidariteit gaan we daar nader op in. Het CPB zelf merkt op dat hun voorstel ook nadelen kent: de productiviteit per werknemer neemt vaak af, omdat de werkgelegenheid aan de onderkant van de markt wordt gecreëerd. Het beperken van de voorzieningen leidt echter ook tot meer inkomensrisico’s, meer inkomensongelijkheid en minder herverdeling over de levensloop. In dit verband zou een uitzondering overwogen kunnen worden voor een alternatief dat het CPB schets voor de nu voorgenomen beperking van de WW-duur, namelijk om deze anticyclisch toe te passen: een maximale WW-duur die afhankelijk is van de conjunctuur: de maximale duur is dan korter tijdens hoogconjunctuur en langer bij laagconjunctuur, wat de verzekeringswaarde verhoogt en werknemers dus beter beschermt als het risico hoger is op werkloosheid. Ook zijn bij de WW uitvoering en risicoverdeling belangrijk voor de structurele uitkomsten. Premiedifferentiatie in de WW-premies, waarbij werkgevers die veel werknemers de WW insturen meer premie betalen, levert structurele werkgelegenheid op, zonder extra lasten voor de overheid. Door de financiële verantwoordelijkheid voor het eerste half jaar van de WW volledig bij werkgevers te leggen, kan de structurele werkgelegenheid verhoogd worden, terwijl ook het saldo voor de overheidsfinanciën positief uitvalt.
    In beide gevallen worden begeleiding van werknemers en van-werk-naar-werktransities aantrekkelijk voor werkgevers, en wordt ontslag kostbaarder en dus ontmoedigd. Wel wijst het CPB op het risico dat meer werkgevers bij zo’n regeling voor ZZP-ers zouden kunnen kiezen.

    Werknemers krijgen recht op middelen uit een Nationaal Scholingsfonds die als een soort vouchers verzilverd kunnen worden om verandering in of van werk mogelijk te maken, en zo in de toekomst werkloosheid te voorkomen en ouderen langer te kunnen laten doorwerken. De wijze waarop scholingsrechten door werkgever en werknemer worden ingezet kan dan medebepalend worden voor de hoogte van de transitievergoeding, als het onverhoopt later toch tot ontslag komt. Het scholingsfonds wordt mede gefinancierd uit de O&O-fondsen. Dat helpt pas echt om de huidige onderinvestering in menselijk kapitaal teniet te doen (nu biedt tot 30% van de werkgevers hun werknemers geen enkele scholing) en om van baanzekerheid naar werkzekerheid te gaan.
    Er komt een actieplan tegen discriminatie op de arbeidsmarkt, met een campagne, een meldpunt, meer toezicht door Arbeidsinspectie, en zware boetes bij overtredingen.
    Het bestaande beleid voor het tegengaan van uitbuiting en verdringing op de arbeidsmarkt door cao-ontduiking en het versterken van de positie van de zwakste werknemers (bijv. schoonmakers, thuiszorghulp) wordt geëvalueerd en waar nodig geïntensiveerd.
    3.3 Financiering

    Voor de financiering van dit omvangrijke Plan voor de Arbeid moet in de eerste plaats het trendmatig begrotingsbeleid in ere worden hersteld. De afspraak dat alle meevallers toe moeten vallen aan het verminderen van de staatsschuld en dat de financieringsruimte onder de 3% norm voor het financieringstekort in beginsel niet gebruikt kan worden voor nieuwe investeringen is daarin niet houdbaar. Dat creëert financiële ruimte om de oorzaken van de crisis weg te nemen: door de balansen van huishoudens en banken te herstellen, en door werk te maken van werk. Herstel van het trendmatig begrotingsbeleid zal ook helpen om de staatsschuld met gezond verstand naar beneden te krijgen. Zoals we nu zien lukt dat niet binnen de kaders van het EMU Stabiliteitspact, ook nu er wat meer tijd is ingeruimd voor lidstaten om aan de 3%-norm te voldoen. Met een paar jaar meer is echter nog niet de weeffout gerepareerd dat de fixatie op een statisch en ongedifferentieerd percentage zou moeten worden vervangen door een sturing op trendmatige daling in samenhang met het nastreven van nominale groei die meer werk, belastinginkomsten en daarmee de mogelijkheid tot versnelling van de aflossing van de staatschuld kan creëren. Nederland heeft het hoogste ‘houdbaarheidssaldo’ van Europa, gezien de belastingclaim die besloten ligt in het kapitaal van de pensioenen en verzekeringen. Dat geeft nu en in de toekomst wat ruimte, niet voor onbezonnen uitgaven, maar voor productiviteit en groei genererende investeringen op het gebied van werk, duurzaamheid en innovatie. Zo wordt tegengegaan dat het bruto binnenlands product als gevolg van bezuinigen verder omlaag gaat, het tekort (uitgedrukt als percentage van datzelfde bbp) te hoog blijft, terwijl de werkgelegenheid en de koopkracht verder dalen.

    In de tweede plaats moet de rijksoverheid een kapitaaldienst oprichten, waarbij niet-consumptieve investeringen niet meetellen bij een begrotingstekort en bezittingen gewaardeerd kunnen worden tegenover schulden. Hierdoor ontstaat er ook nationaal meer investeringsruimte.

    In de derde plaats moet gekeken worden naar meer binnenlandse investeringen door de pensioensector. De oprichting van een investeringsbank met betrokkenheid van de Nederlandse pensioenfondsen heeft nog weinig tot stand gebracht. Bezien moet worden hoe de werking hiervan verbeterd kan worden. Bij de huidige overvloed aan spaargeld en de ultralage rente moet zo’n bank die 3% reële rente biedt miljarden kunnen ophalen. Projecten genoeg: duurzame energievoorziening, bescherming tegen de zeespiegelstijging en toenemende wateroverlast, infrastructuur, de zorg, het onderwijs, de kinderopvang – de meeste zijn sectoren met een lange termijnrendement van ruim boven de 3%, zodat van subsidie vaak geen sprake behoeft te zijn. Naast de recente oprichting van een nationale hypotheekinstelling die pensioenfondsen en andere instellingen in staat zal stellen in hypotheken te beleggen past ook in een verplichting voor pensioenfondsen om in een groeimodel een derde van hun vermogen in eigen land te beleggen. In de ‘harde’ infrastructuur moeten meerjarenafspraken worden gemaakt over investeringen in slim wegvervoer, klimaatbestendig waterbeheer en supersnel dataverkeer om zekerheid te scheppen dat vakman/vrouwschap en werkgelegenheid niet verloren gaan en er in deze moeilijke tijden geen gat in deze investeringen wordt geslagen dat ons later opbreekt. Wederopstanding van het Fonds Economische Structuurversterking in een beter gestuurde versie ligt voor de hand als kans en keuze.

    Voorts moet – in de vierde plaats – de grootschalige belastingontduiking van multinationals en superrijken worden aangepakt. Brievenbusbedrijven moeten worden bestreden – bij voorrang die van Russische ondernemingen en oligarchen die op de sanctielijst staan of daarmee indirect zijn verbonden zoals Gazprom, en van de bedrijven en personen die de Griekse belastingen vermijden. Het voorstel van president Obama om belastinguitwijking nationaal te belasten verdient navolging. Belastingdeals moeten openbaar worden en democratisch gecontroleerd.

    Verder kan in de vijfde plaats de vennootschapsbelasting met name voor grote bedrijven makkelijk omhoog. Sinds 1980 is deze wereldwijd zo ongeveer gehalveerd, in ons land van 48% naar 25%. Al die jaren zijn de belastingparadijzen en belasting-doorsluisparadijzen (Nederland) ongemoeid gelaten, ondanks dat iedereen wist of kon weten dat deze het grootbedrijf in staat stelden lage en dalende nominale belastingtarieven te reduceren tot nul. Terwijl onze inwoners zuchten onder torenhoge hypothekenschulden, als gekken aflossen op gezonken onroerend goed en ook nog eens moeten opdraaien voor de publieke kosten van een bancair privéfeestje, zit het grootbedrijf op een historisch ongekende berg spaargeld: rond de 60 miljard euro in Nederland, rond de 5 biljoen dollar in de VS. En wat doet het grootbedrijf? Het investeert niet in het thuisland, niet in onderzoek en ontwikkeling, niet in de eigen werknemers. Nee, het doneert de winsten aan de aandeelhouders – na uiteraard eerst de eigen bestuurders flink te hebben gespekt.

    #1075

    In aanvulling op dit plan moet er een antwoord komen op de ekologiese krisis. De enorme achterstand die Nederland in Europa heeft opgelopen door falend duurzame energiebeleid moet worden ingelopen. Dit is ook goed voor de werkgelegenheid. ook op het gebied van energiebesparing is een enorme slag te maken. Alle sociale huurwoningen worden voorzien van dubbel glas, alle daken worden extra geisoleerd. In de middenbermen van alle snelwegen worden zonnepanelen geplaatst. Nieuwe lokaties voor windenergie worden uitgekozen, rekening houdend met de belangen van omwonenden. Een meer duurzame ekonomie maakt ons ook minder afhankelijk van ondemokratische regimes voor wie mensenrechten niet belangrijk zijn, zoals in het Midden Oosten , maar ook Rusland. In een breeder verband heeft dit alles ook reële ekonomiese waarde.
    Het plan van de arbeid wordt zo “een nieuw green deal”

2 berichten aan het bekijken - 1 tot 2 (van in totaal 2)

Je moet ingelogd zijn om een reactie op dit onderwerp te kunnen geven.